Karnaval van Oruro
Discussie:
Momenteel is er in Bolivia en Perú een discussie aan de gang
over de oorsprong van de Diablada (La Diablada is een van de
dansen die vertoond worden tijdens oa het Karnaval van Oruro).
Dat de Diablada oorspronkelijk afkomstig is van de Altiplano
is zeker, maar momenteel is de Altiplano verdeeld over
verschillende landen. De aanleiding tot deze discussie is
dat Miss Perú, Karen Schwartz, naar de Miss
Universal-verkiezingen in de Bahamas wilde gaan in een
Diableza-kostuum. Miss Bolivia zou in een struisvogelkostuum
gaan, ook een typisch kostuum van de Altiplano, maar
misschien iets minder kleurrijk, opvallend en sexy. Natuurlijk
zei Perú dat La Diableza (De Duivelin) afkomstig is van Perú,
zoals ze ook de quinua-granen claimen, en andere dingen die
ze gemeenschappelijk hebben, zoals lama's, alpaca's en
vicuñas.
De Boliviaanse regering wilde dit toch even duidelijk maken
aan de rest van de wereld dat Perú dit niet zomaar kan doen,
en schreef een brief naar de organisatoren ter verduidelijking.
Om hun goed hart te tonen, en omdat het toch al te laat was,
gaven ze Perú via de nationale- en wereldpers te kennen dat
ze toestemming hadden om het Diableza-kostuum te gebruiken.
Daarom vind ik het nu de gelegenheid om een beetje meer
uitleg te geven over het Karnaval van Oruro, een van de
bekendste van Latijns-Amerika en een belangrijk evenement
dat Oruro heden ten dage op de kaart zet als een belangrijke
stad op de Andijnse Altiplano.
Het belang van het Karnaval voor Oruro en de Orurezen is
onmetelijk. "De meerderheid van de Orurezen beaamt dat er in
Oruro het hele jaar door over Karnaval gesproken wordt"
(Lara, 2007:49). [In bijlage ook de link naar het artikel op
de blog van Marcelo Lara, de vertaling volgt nog.]
Feestdagen:
Het Karnaval wordt gevierd in februari. Het is verbonden met
het oude Feest van de Vooroogst en van de Anata-spelen.
Tijdens de koloniale periode is de datum van het Karnaval
niet vastgelegd, maar is wel afhankelijk geworden van de
Katholieke kalender, het gaat met drie dagen de vastenperiode
vooraf. De Entrada, zoals de aankomst van de karnavalsstoet
wordt genoemd, vindt plaats op zaterdagochtend, de stoet
duurt meer dan 20 uur. Maar de festiviteiten van Karnaval
zijn niet gelimiteerd tot deze drie dagen voor de
vastenperiode, eigenlijk beginnen de festiviteiten reeds in
november, met de repetities en het klaarmaken van de kostuums,
nachtelijke waken met kaarsen, etc.
Ook na de eigenlijke optocht duurt het Karnaval nog meer
dan een week voort (Lara,2007:49).
Het Andijnse Karnaval is een feest dat de Spaanse
karnavalstraditie en de inheemse verenigt, de Aymara's bv
zien in het Karnaval een hommage aan de Pachamama, opdat er
een goede oogst mag komen en ze geen honger zullen leiden
(Parejas in Lara, 2007:21). Het Karnaval wordt jaarlijks
gevierd 1) ter ere van de Virgen Candelaria del Socavón,
Patroonheilige van de stad en 2) als een viering van de
nationale Folklore, de culturele erfenis van de voorouders
(dans, muziek, rituelen, mythologie, handwerkkunst
uitgedrukt in de maskers en kostuums,...). Maar ondertussen
hebben sommige mensen deze niet-religieuze motivatie
teruggevonden en voor sommigen is het zelfs maar gewoon een
reden om te drinken, te flirten, uit de bol te gaan, te
profiteren van de tijdelijke vrijheid en de karnavaleske
excessen.
De karnavalsperiode is een tijd buiten de gewone
tijdsbeleving. De tegenstelling tussen het heilige en het
profane zorgen voor een inversie van het dagdagelijkse, een
tijdelijke verandering in "de routine en het ritme van het
gebruikelijke leven" (Lara, 2007:18-19). De stad wordt de
scene, het publiek is tevens toeschouwer én deelnemer.
De oorsprong van de Diablada:
De Orurezen willen steeds de oorsprong van La Diablada,
hoeksteen van het Karnaval van Oruro, achterhalen. Er zijn al
menige - al dan niet wetenschappelijke - boeken over
verschenen, maar er zijn niet veel bronnen in het Nederlands
te consulteren.
Het is duidelijk dat er in het Karnaval sporen van zeer oude,
precolombiaanse, agrarische rituelen en koloniale
mijnbouwrituelen terug te vinden zijn. Ook zijn er duidelijk
culturele sporen van Urus, Aymara's en Inca's, die in deze
regio woonden, terug te vinden. Omdat deze agrocentrische
gemeenschappen in hun geloof (Cosmovisión) en gebruiken
vooral gefocust waren op het behoud van de vruchtbaarheid van
de aarde en van "het evenwicht tussen de bovennatuurlijke
krachten en machten, was dit feest van vitaal belang in
functie van de continuïteit van het leven." (Lara, 2007:29)
La Diablada is oorspronkelijk gelinkt aan de heilige
voorstellingen van de oude Wari en Supay en aan de
berggeesten, Achachilas genaamd. Die heilige plaatsen worden
in de Andijnse wereld Wak'as (zie artikel La Víbora) genoemd
en beschikken over bovennatuurlijke krachten en macht en
kunnen leven of dood veroorzaken, afhankelijk van hoe ze
door de mens behandeld worden. Men associeert deze heilige
plekken met de ziel en de geest van de overledenen. Wari bv,
werd door de Urus beschouwd als het beginsel van het leven,
de ziel. Supay was de geest van de doden, maar wordt nu
vertaald als duivelin.
De heilige bergen worden nog steeds beschouwd als de verre
voorvaderen van de oorspronkelijke bevolkingsgroepen (Lara,
2007:30). De Adder (víbora), de Pad (sapo) en de Condor zijn
Wak'as en zijn als heilige plaatsen in de Orurese bergen nauw
verbonden met het Karnaval en maken deel uit van de
mythologie van de regio. De dieren worden ook afgebeeld op
de karnavalsmaskers en -kledij (Lara, 2007:31). Ook de wereld
onder de grond, Manqha Pacha (in Aymara), waar de zielen en
geesten van de doden leefden, werd door de Spanjaarden
omgevormd tot onderwereld, waar zich de hel bevindt en waar
de duivels leven.
De mijnwerkers gingen zo de Tio de la Mina
vereren met hun hommage aan de duivels (La Diablada). Tijdens
de periode van Karnaval wordt er nog steeds een witte lama
geslacht aan de ingang van de mijnschacht, het bloed wordt
gedronken en verspreid over de aande en daarna wordt het
vlees geroosterd en opgegeten tijdens het feest. Ook worden
er ch'allas gehouden, dat is het ronddruppelen van bier of
andere alcohol, om de Pachamama goedgezind te stemmen. De
huizen, kantoren, auto's, etc. worden ook ge-ch'alla't in de
periode van Karnaval.
Tijdens het bewind van de Borbones in Spanje (18e eeuw),
werden de regels strikter en de "indios" werd (tijdelijk)
niet meer toegelaten hun rituele en feestelijke manifestaties,
die een clandestien en marginaal karakter werden opgelegd,
in de stad te houden en toen werd de Maagd van de Mijnschacht
(Virgen del Socavón) als extra ingrediënt toegevoegd,
evenals andere symbolen van de overheerser.
Haar zogezegde verschijning aan het einde van de 18e eeuw
(1789) is dan ook niet toevallig, het was een periode van
rebellie vanwege de inheemse bewoners en de criollos tegen
het Spaanse bewind (Lara, 2007:33).
De 5 periodes:
De volgende informatie komt uit het krantenartikel "Vijf
periodes in het Karnaval van Oruro (El Chiru Chiru, Oruro,
julio 2009, p2, Elías Delgado Morales)" en de voorgaande
uit "Carnaval de Oruro: Visiones Oficiales y Alternativas"
van Marcelo Lara Barrientos (2007, Uitgeverij Latinas
Ediciones).
1. Men weet niet exact hoe lang het karnaval reeds gevierd
werd voordat de Maagd verscheen in 1789 in de grot van
"Nina Nina" in de zilverberg "Pie de Gallo". Hiervan bestaat
een geschreven bron, door Padre Emeterio Villarroel (1908).
Mondelinge bronnen gaan echter nog enkele eeuwen terug.
Volgens Thomas Abercrombie zouden de introductie van de
volkse en rituele processies, het evangelizatietheater en
de sacramentale uitingen in de periode van recente
kolonisatie aanleiding hebben kunnen geven aan de vorming van
de Orurese Karnavalsdansen. Een andere hypothese is dat de
rebelse opstoot van Spanjaarden geboren in Amerika en van
inheemsen in februari 1781 in een soort van alliantie van
Amerikanen, tegen het dominante Koloniale regime, de eerste
karnavalsdans door de straten van Oruro betekende (Lara,
2007, 29).
Volgens de geschreven bronnen vonden de bewoners van de
streek hun troost voor de angsten, wensen en frustraties in
de dansen, de muziek en de viering van de uitingen van het
geloof.
Wat de Diablada-dans betreft, wordt er gespeculeerd over
het begin van de 1900 eeuw als vertrekdatum, in 1904 is de
eerste dansgroep van Diablos (duivelsgezelschap) opgericht,
waaraan mijnwerkers en de gilde van de slagers deelnamen.
Dit gezelschap heette "La Gran Tradicional y Autentica
Diablada Oruro", gesticht door Don Pedro Corrales Flores
en enkelen van de slagersgilde.
In de eerste, tweede en derde periode bestonden er 2
verschillende karnavals, tegengestelden in sociale status
en feestelijke expressie (Lara, 2007:34). Op zaterdag
defileerden de volkse karnavalgezelschappen, in die periode
afgeschilderd als de "vulgaire inheemse massas", wiens stoet
de gemeentelijke autoriteiten meermaals hebben proberen
afschaffen, en op zondag vond er een kleine processie plaats
van de elite, dat steevast eindigde in een gratis diner en
galabal. Op zaterdag vonden de diablada, morenada, sicuris
en inca-dansen plaats, de verkleedkleren van de vrouwen van
de processie op zondag waren orientaals geïnspireerd en vaak
verkleed als haremvrouwen, en er was een koningin-karnaval
verkiezing.
Ook het traject van de stoet was verschillend, de elite
mocht door het centrum defileren, terwijl het gepeupel de
meer perifere straten aandeden, die uiteindelijk uitgaven op
het pleintje voor de toenmalige kapel van de Maagd van de
Mijnschacht (Lara, 2007:37).
2. In 1910 werd het fresco van de Maagd geschilderd in het
Heiligdom van de Maagd van de Mijnschacht in Oruro. Sommigen
beweren dat het op miraculeuze wijze ineens verschenen was.
De mijnwerkers vereerden haar op een frenetische manier,
verkleed als de duivel en de opzwepende en aanstekelijke
muziek spelend, die tot op de dag van vandaag voortleeft.
Hieruit is het wisselspel Virgen-Diablo ontstaan, dat een
unieke vorm heeft aangenomen.
3. Na de oprichting van het Gezelschap van de Diablos in
1904, verscheen ook die van Los Incas, bekend omwille van hun
waken. In 1911 verscheen voor het eerst het Gezelschap van
de Tobas, in 1913 het Gezelschap van Los Morenos, opgericht
door de gilde van de cocanis, de cocahandelaars, gevolgd door
La Llamerada (het dansgezelschap van de lama-hoeders) in
1921. In deze periode verschenen ook voor het eerst de
"Pasantes de la fiesta", de orkesten, men begon juwelen en
zilverwerk tentoon te spreiden, als symbolisch tribuut aan
de Heilige Maagd. Enkele gebruiken veranderen, geïnspireerd
door de "volkse verbeelding".
Tot op dit ogenblik hadden er nooit vrouwen noch kinderen
deelgenomen aan de karnavalsstoeten. Groepen die toen
deelnamen, en ondertussen reeds verdwenen zijn, waren Los
Doce Pares de Francia (De Twaalf Paren van Frankrijk) van
Caracollo en Los Kallaguayas uit Machacamarca. Er bestond
toen ook een gezelschap dat Los Mineritos heette en dat op
het ritme van de muziek een mineraalsteen besloeg met hun
houweel.
Maar de elite, die ook de communicatiemedia beheersten,
koesterden de wens dat de "volkse, inheemse vertoningen"
afgeschaft werden en dat het Karnaval van Oruro een louter
"geciviliseerd cultureel spektakel" zou worden.
4. De vierde periode loopt van de jaren '40 tot de jaren
'80. De aanvang van de Karnavalsstoet op de "Zaterdag van
Karnaval" begon ook populair te worden bij de middenklasse
in deze periode, de niet-volkse klassen begonnen te
sympathiseren met de "indianen" (Lara, 2007:44).
Leerkrachten, bankbedienden, militairen, etc. begonnen zich
te verzamelen in Diablada-dansgezelschappen. Eerst begonnen
enkele jongeren van de elite deel te nemen in de Diablada-
dansgroep van de slagers. Ze stuitten op weerstand van hun
vrienden en collega's, maar het volk/de toeschouwers herkende
hen niet doordat ze hun maskers niet afnamen voordat ze
aan de kerk van Socavón aangekomen waren; sommigen namen uit
vrees voor roddels zelfs dan nog hun maskers niet af
(Lara, 2007:58).
De onderzoeker Revollo (Lara, 2007:22) stelt dat in deze
periode de machthebbende sectoren van de samenleving, de
vertegenwoordigers van de officiële orde, zich de
manifestaties van de volkse cultuur begonnen toe te eigenen.
Zij waren economische beter gesteld en konden zich luxueuze
verkleedkleren veroorloven. Het komt zelfs zo ver dat zij
de centrale plaats in het feest van de volkse sectoren
afnemen.
Ook de route veranderde in deze periode, de meer volkse
dansgroepen mochten zich nu ook in het centrum vertonen.
Er waren toen nog niet zoveel toeschouwers toen de stoet
passeerde, het gewone volk ging vooral kijken op het
pleintje voor de kerk van Socavón.
Vanaf het begin van de jaren '60 verloor het Karnaval zijn
mannelijke exclusiviteit, in 1961 deden er voor het eerst
vrouwen mee. In de jaren '70 begonnen zich ook buitenlanders
te mengen in de dansgezelschappen. Er wordt melding gemaakt
van Japanners, Noord-Amerikanen en Belgen (Lara, 2007:44).
In de jaren '70 doken voor het eerst ook Caporales-dansers
op, de Morenadas wonnen aan aanzien en aan deelnemers.
Aan weerskanten van de karnavalsstoet liepen de "dragers"
met een vracht vol goud- en zilverwerk voor de Virgen, en
ook eten en drinken. Sommigen zeggen dat rond de jaren '40
de vrachten zelfs belangrijker waren dan de dansgezelschappen.
Zo waren er in 1942 zelfs 305 dragers, en slechts 9
dansgezelschappen (Lara, 2007:38-39).
De dragers gebruikten ook muilezels, lama's of runderen om
hun vracht te vervoeren tijdens de stoet. Sinds 1937 werden
er gemotoriseerde voertuigen geïntroduceerd, kamions en
auto's die de vracht vervoerden. In het begin werden die
niet echt hartelijk ontvangen (Lara, 2007:41).
Er werd met confetti gesmeten, met waterballonnen,
serpentines en knallertjes.
Twintig jaar later hadden de dansen aan populariteit gewonnen
en werd er amper nog gesproken over de dragers. Ook de
Diablada won aan aanzien.
Begin jaren '60 werd het Comité Departamental de Etnografía
y Folklore opgericht, en in 1963 de Asociación de Conjuntos
del Folklore de Oruro (ACFO), het voormalige Comité de
Defensa de los Conjuntos Folclóricos. Vele intellectuelen
en onderzoekers die behoorden tot de culturele tak van de
Antropologie, zaten hier achter.
In theaters in Oruro werden opvoeringen gehouden in de
periode van Karnaval over de Diablada: verhalen, literaire-
en muziekavonden. Ook werd in deze periode de ontwikkeling
van het Karnaval door de Gemeente gereglementeerd. De
eerste dansgezelschappen begonnen ook te reizen naar andere
plaatsen in binnen- en buitenland, voor speciale
gelegenheden. Deze periode kende ook de opkomst van de
handwerklieden die zich specialiseerden in het ontwerpen en
uitwerken van kunstige maskers, geborduurde kledij, leren
botinnen en andere accessoires. Ook de muziek kende een
verrijking en verfijning in deze periode.
De pers begint ook meer aandacht te krijgen voor het Karnaval
tijdens deze periode, de eerste documentaires worden gedraaid
en de eerste uitzendingen op TV vinden plaats.
Op 6 maart 1965 werd Oruro uitgeroepen tot Folkloristische
Hoofdstad van Bolivia.
5. Tijdens de vijfde periode die onderscheiden kan worden,
die loopt van de jaren '80 tot nu, krijgt het Karnaval zijn
spectaculaire aanblik. Het Karnaval gaat vanaf dan gepaard
met schoonheidswedstrijden voor Boliviaanse vrouwen, het
Karnaval krijgt een sexier tintje, wat oa te zien is aan de
rokjes van de Morenada-danseresjes, die alsmaar korter
worden.
De gemotoriseerde voertuigen (de "dragers" van vroeger)
worden schaarser, er zijn minder Inca-, Negrito- en
Doctorcito-dansgroepen, er beginnen meer volkse groepen deel
te nemen, zoals de Tinkus, Phujllay, Potolos en Wititis.
In de jaren '90 verschijnen er ook voor het eerst
Tarqueadas en Kantus. Eind jaren '90 werd de vrouwelijke
Diablada-figuur gecreëerd, La Diableza (de duivelin).
China Supay was er reeds van in het begin bij, maar
La Diableza lijkt op El Diablo, draagt een kleiner masker,
met dezelfde grote pruik (wit of in fluo kleuren), een kort
rokje en roodwitte botten met hak. Er bestaat nu ook een
Ñaupa-Diablo, een oude duivel, met een masker met vele
rimpels en een kromme neus.
Er worden jaarlijks aanpassingen gedaan aan de kostuums.
De basiskleur verandert jaarlijks, enkele accessoires of
details veranderen, en soms komen er personages bij.
De belangrijkste verwezenlijking in deze periode is de
verklaring van de UNESCO als Meesterwerk van het Mondelinge
en Immateriële Erfgoed van de Mensheid. Onder andere Marcelo
Lara (mijn baas) heeft mee gewerkt aan het dossier dat
ingediend werd bij de UNESCO. In mei 2009 hebben we de 8e
verjaardag van de Verklaring/Erkenning van UNESCO gevierd,
met een mini-karnaval (dat slechts 7 uur duurde).
In de jaren '70 namen er slechts 5.000 dansers en muzikanten
deel, nu zijn het er meer dan 30.000, zelfs van het
buitenland. De stoet duurt meer dan 20 uur, onafgebroken
dansen en musiceren.
Het grote Karnaval, in februari, heb ik niet meegemaakt,
omdat ik toen nog niet in Bolivia was, maar het mini-karnaval
wel, en ik moet zeggen, dat was al spectaculair!
Andere feesten waar de dansgezelschappen van Oruro naartoe
gaan om hun praal en kunsten tentoon te spreiden, zijn de
Fiesta del Señor del Gran Poder (begin mei, La Paz) en de
Fiesta de la Virgen de Urkupiña (half augustus, Cochabamba).
Even ter verduidelijking, Perú kan niet beweren dat het
Diableza-kostuum peruviaans is, want het is slechts 10 jaar
geleden gecreëerd, en wel degelijk hier in Oruro.
Bibliografie:
"Vijf periodes in het Karnaval van Oruro" (El Chiru Chiru,
Oruro, julio 2009, p2, Elías Delgado Morales)
"Carnaval de Oruro: Visiones Oficiales y Alternativas"
(Marcelo Lara Barrientos, Latinas Editores, Oruro, 2007)
http://marcelolarabarrientos.blogspot.com/2009/08/miss-peri-se-presento-con-traje-tipico.html
zondag 30 augustus 2009
zaterdag 29 augustus 2009
Cuentos Andinos 4
Vosseverhalen:
De weddenschap van de vos en de condor
Op een dag vertelde Heer Condor over zijn uitstapjes naar
helsbesneeuwde bergtoppen.
“ Doe ik al eeuwen...,” onderbrak de vos hem, “een koud
kunstje!” De vos zei dit enkel om de aandacht van de condor
op zichzelf te vestigen.
De condor wou de leugenaar eens flink te grazen nemen en zei:
“OK, wedden?”
Na wat hij zonet beweerd had, kon de vos moeilijk weigeren.
Hij knikte ja en strekte zijn rafelige staart om zich een
stoere houding te geven.
Omdat de condor de vos door en door kende, vervolgde hij
dadelijk: “Morgenavond beklimmen we de berg. Hopelijk beklaag
je ´t je niet!”
“Hoezo?!”, reageerde de vos opgewonden, “Ik zei toch al dat
het niets nieuws is... Laten we het volgende afspreken: als
ik het niet overleef, mag jij me opeten. Als jij sterft, mag
ik jou opeten. Wat vind je daarvan?”
De condor vond het een uitstekend plan. Hij glimlachte
vergenoegd om het lesje dat hij de vos zou leren.
´s Anderendaags beklommen ze zoals afgesproken de berg.
Zodra hij de besneeuwde bergtop bereikt had, schudde de condor
flink zijn veren uit. Hij hurkte neer, schoof zijn
rechtervleugel als een donsdeken onder zijn poten en stak
zijn neus onder de warme linkervleugel. De vos kon enkel
zijn dunne staart als een onooglijk sjaaltje omslaan. Zijn
snotterende neus kon hij nergens kwijt en zijn dunne pootjes
begonnen dadelijk te bevriezen. Het wachten begon. De condor
sloeg de vos met een superieur lachje gade.
Rillend van de kou waagde de vos het de condor te vragen:
“Heer condor?” “Ja hoor, oompje”, antwoordde de condor
onmiddellijk.
Een poosje later vroeg de condor op zijn beurt: “En, oompje,
gaat het nog?”
“Ja hoor, uitstekend!” piepte de vos nauwelijks hoorbaar.
De condor stelde dezelfde vraag nogmaals, een hele poos
later. De vos gaf geen kik meer. De condor wrikte hem los
uit het ijs en verscheurde het lijk.
Hoe de vos schapen leerde eten
Vroeger liep de vos door berg en dal, op jacht naar duiven
en patrijzen. De buit die hij ving, stopte hij in zijn rugzak,
als een appeltje voor de dorst.
Op een dag, uitgeput van het vele rondtrekken, ontmoette de
vos twee bijzonder nieuwsgierige herderinnetjes.
“Wat sleur je daar mee in je rugzak?”, vroegen ze hem.
“Alles wat ik wil”, antwoordde hij kortaf.
Meer wou de vos er niet over kwijt. De meisjes wilden hoe
dan ook eens neuzen in zijn rugzak.
Om de vos even uit de buurt te hebben, gaven ze hem de
opdracht om op hun schapen te letten. Hij stond op het punt
om op te stappen, de proviandzak stevig tegen zich aangedrukt.
“Laat die rugzak gerust bij ons. Je wou hem toch niet
meesleuren?”, zei de ene.
“Inderdaad, laat hem maar aan ons over. Wij zullen hem voor
jou bewaren”, vulde de andere aan. Ze griste hem de zak bijna
uit handen. De vos aarzelde. Uiteindelijk liet hij zijn
kostbaar bezit aan hun zorg over. Nauwelijks was hij achter
de schapen aan of de meisjes hadden de knoop al losgemaakt.
O wee, de duiven en patrijzen fladderden weg! Daar stonden
de meisjes dan, met een lege rugzak.
“Hoe moeten we ons nu hieruit redden?” riepen de meisjes
ontzet.
Een ogenblik bleven ze radeloos staan, maar ze vonden een
oplossing. Ze namen een cactus en staken die in de zak.
Trillend van angst wachtten ze de vos op. Toen hij terugkwam
fluisterden de herderinnetjes: “Alsjeblief, hier heb je je
rugzak”, waarna ze zich snel uit de voeten maakten.
De vos stapte blijgezind op. Na een tijdje voelde hij iets
in zijn rug prikken.
“Aauw, aauw!”, zong hij, “Met jullie schurftige snavel!
Aauw, aauw! Met jullie schurftige snavel!”
Uitgeput en hongerig zette hij zich neer en tastte naar een
lekker hapje. Het prikte nog venijniger. De vos keek
nauwkeuriger, er zat een cactus in zijn zak! Snel haalde
hij de herderinnetjes in.
“Waar is mijn picknick naartoe? Wie heeft mijn lunch laten
ontsnappen?” riep hij boos. De twee herderinnetjes konden
enkel schuldig zwijgen.
“Goed”, dreigde de vos, “dan kies ik me voor vanavond een
van jullie schapen uit!”
Hij overviel er eentje in ´t geniep en peuzelde het helemaal
op.
Zo heeft de vos schapen leren eten.
De vos op vrijersvoeten
Pronkend met de kleren van een jongeman, ontmoette de vos een
heel droevig herderinnetje. “Liefje, waarom heb je verdriet?”
vroeg hij.
“Snif, snif, omdat mijn ouders me aan een oude, vieze man
willen uithuwelijken. Daarom”, snikte het meisje. “Toe, hou
nu op met huilen. Het is heel treurig, inderdaad, maar voor
alles bestaat er een oplossing”, troostte de vos haar.
Ontroerd hield het meisje op met huilen. Na een tijdje kwam
de vos met een voorstel: “Ik zal met je trouwen, en je zult
zien, je ouders zullen toestemmen. Kijk”, ging de vos verder,
“tot op de dag van je huwelijk blijf je heel lief voor je
verloofde. En op de dag zelf zorg ik wel voor de verrassing.”
Opgelucht stemde het meisje in.
Enkele dagen voor het huwelijk zocht de vos zijn trawanten op.
Hij sprak ze toe: “Vossebroeders, mijn toekomst en mijn
geluk hangen helemaal van jullie af. Jullie moeten de
verloofde van mijn meisje te pakken krijgen, hem bij handen
en voeten vastbinden en hem gevangen houden tot de bruiloft
is afgelopen. Akkoord?”
De vossen vonden het opperbest.
Op de dag van het huwelijk verscheen de vos, vrolijk gestemd,
in de kleren van de oude man. Met honderden gestolen schapen
meldde hij zich aan bij de ouders van het meisje. Die
ontvingen hem met open armen. Daarbij beweerde de vos nog dat
het maar de helft van de bruidsschat betrof...
Het huwelijk ging probleemloos door. Het hele gezelschap
danste en zong tot laat in de nacht.
De vos nam zijn vrouw bij de arm en trok haar mee het huis
binnen. Plots dook een oude man tussen de feestvierders op,
spiernaakt en overdekt met vieze wonden. “Bekijk me maar
goed”, riep hij, “Dit is het werk van honden. Waar is die
smerige hond die mij dit heeft aangedaan?” De ouders herkenden
de oude vrijer. De arme man was zo verschrikkelijk
toegetakeld dat de feestvierders spontaan in felle woede
ontstaken. Ze grepen een aantal stokken en palen en stormden
het huis van het pasgehuwde koppel binnen. Ze vonden de vos
in bed en rukten hem uit de armen van het meisje. “Niet doen,
niet doen!”, tierde de vos. “Ik ben een man! Kijk, ik was
het hier net aan het bewijzen!”.
Maar het mocht niet baten. De vos werd halfdood geslagen,
zodat hij het nooit meer in zijn hoofd zou halen de gedaante
van een mens aan te nemen.
De drie Andesmuzikanten
Op een zekere avond ontmoetten de vos, de adelaar en de
kever elkaar voor de huisdeur van de vos.
“In dat huis daar aan de overkant”, vertelde de vos, “wonen
welgestelde herderinnen met een flinke voorraad schapen. En
wij hier maar nodeloos honger en armoede lijden”.
De anderen keken hem onbegrijpend aan.
De vos ging verder, betekenisvol van de ene naar de andere
kijkend: “Zowel de grote als de kleine schapen zitten goed
in het vlees.”
“Vos”, vroeg de adelaar, “wat bedoel je daar nu mee? Wees
voor een keer duidelijk.”
“Wel”, antwoordde de vos, “in het huis aan de overkant wonen
drie herderinnen die veel schapen bezitten. Op een avond ben
ik op onderzoek uitgetrokken. Ik heb het met eigen ogen
kunnen vaststellen: de meisjes zien er weldoorvoed uit en
hun schapen zijn lekker dik.” Dat zei de vos om de buit
aantrekkelijker te maken.
“Tjah”, zuchtte de kever, “ik begrijp het wel, maar hoe
geraken we daar binnen? Ik hoef mijn vleugels maar te
spreiden of ze hebben het al in de gaten.”
“Dat heb ik allemaal al uitgekiend!, juichte de vos.
Hij liep snel het huis binnen en kwam terug met een grote
zak.
“Pak maar!”, riep hij, wijzend op de zak, “Hier is jullie
vermomming!”
De vos haalde een charango-gitaar met hondesnaren te
voorschijn, waarop hij medogenloos begon te tokkelen.
De adelaar blies verwoed op een fluit. De kever zette een
enorme hoed op het hoofd en begeleidde de zang met handgeklap.
Na een korte repetitie begaf het kersverse trio zich naar
het huis aan de overkant. Door de duisternis konden de
herderinnen de muzikanten nauwelijks herkennen. Ze ontvingen
de muzikanten hartelijk en schotelden hen een rijke tafel
vlees en bier voor.
“Hahaha!! Wat grappig!! En bedien je maar!” lachten de
meisjes, zich op de dijen kletsend om het gekke postuur van
de kever. Hij leek net een duivel, met zijn grote hoed heel
diep over het hoofd getrokken.
Het gezelschap dronk, zong en danste tot laat in de nacht.
Toen de meisjes duidelijk dronken waren, knipoogde de vos
naar zijn makkers. Onder het voorwendsel dat het al laat was,
nam het trio afscheid. Terwijl de herderinnen als dood hun
roes uitsliepen, pikten de vos en zijn trawanten enkele
schapen mee.
Op die manier bestalen ze de meisjes verscheidene keren.
Het werd een vaste gewoonte. Op een dag merkten de meisjes
dat hun schapen zomaar verdwenen.
“Sinds die zangers ons bezoeken, gaan onze schapen verloren,”
zei de oudste zus.
“Waarom zouden ze ons altijd op het hart drukken om de
honden op te sluiten?”, dacht de andere luidop.
“Inderdaad, zij moeten het zijn,” viel de derde bij. De drie
zusjes verzonnen een list om de dieven te ontmaskeren.
Diezelfde nacht zetten ze nogmaals het feest in alsof er
niets aan de hand was. De herderinnen dronken zo weinig
mogelijk. Desnoods goten ze hun drankje weer in de kannen.
Eentje goot het bier zelfs af en toe in haar bloes. Wel
deden ze zich tegen het einde van de avond stomdronken voor.
Naar gewoonte namen de muzikanten afscheid met het smoesje
dat het al laat was geworden.
Nauwelijks hadden ze een poot in het schapenhok gezet, of
de meisjes lieten de honden op hen los. Het muzikale trio
zag geen andere uitweg dan zich in het feestvuur te storten.
De vos ontkwam op het nippertje, met een brandende staart
achter zich aan. De adelaar kon door een verschroeide vleugel
nauwelijks opvliegen. De kever schoot er niet alleen zijn
beide vleugels maar haast ook zijn leven bij in.
De weddenschap van de vos en de condor
Op een dag vertelde Heer Condor over zijn uitstapjes naar
helsbesneeuwde bergtoppen.
“ Doe ik al eeuwen...,” onderbrak de vos hem, “een koud
kunstje!” De vos zei dit enkel om de aandacht van de condor
op zichzelf te vestigen.
De condor wou de leugenaar eens flink te grazen nemen en zei:
“OK, wedden?”
Na wat hij zonet beweerd had, kon de vos moeilijk weigeren.
Hij knikte ja en strekte zijn rafelige staart om zich een
stoere houding te geven.
Omdat de condor de vos door en door kende, vervolgde hij
dadelijk: “Morgenavond beklimmen we de berg. Hopelijk beklaag
je ´t je niet!”
“Hoezo?!”, reageerde de vos opgewonden, “Ik zei toch al dat
het niets nieuws is... Laten we het volgende afspreken: als
ik het niet overleef, mag jij me opeten. Als jij sterft, mag
ik jou opeten. Wat vind je daarvan?”
De condor vond het een uitstekend plan. Hij glimlachte
vergenoegd om het lesje dat hij de vos zou leren.
´s Anderendaags beklommen ze zoals afgesproken de berg.
Zodra hij de besneeuwde bergtop bereikt had, schudde de condor
flink zijn veren uit. Hij hurkte neer, schoof zijn
rechtervleugel als een donsdeken onder zijn poten en stak
zijn neus onder de warme linkervleugel. De vos kon enkel
zijn dunne staart als een onooglijk sjaaltje omslaan. Zijn
snotterende neus kon hij nergens kwijt en zijn dunne pootjes
begonnen dadelijk te bevriezen. Het wachten begon. De condor
sloeg de vos met een superieur lachje gade.
Rillend van de kou waagde de vos het de condor te vragen:
“Heer condor?” “Ja hoor, oompje”, antwoordde de condor
onmiddellijk.
Een poosje later vroeg de condor op zijn beurt: “En, oompje,
gaat het nog?”
“Ja hoor, uitstekend!” piepte de vos nauwelijks hoorbaar.
De condor stelde dezelfde vraag nogmaals, een hele poos
later. De vos gaf geen kik meer. De condor wrikte hem los
uit het ijs en verscheurde het lijk.
Hoe de vos schapen leerde eten
Vroeger liep de vos door berg en dal, op jacht naar duiven
en patrijzen. De buit die hij ving, stopte hij in zijn rugzak,
als een appeltje voor de dorst.
Op een dag, uitgeput van het vele rondtrekken, ontmoette de
vos twee bijzonder nieuwsgierige herderinnetjes.
“Wat sleur je daar mee in je rugzak?”, vroegen ze hem.
“Alles wat ik wil”, antwoordde hij kortaf.
Meer wou de vos er niet over kwijt. De meisjes wilden hoe
dan ook eens neuzen in zijn rugzak.
Om de vos even uit de buurt te hebben, gaven ze hem de
opdracht om op hun schapen te letten. Hij stond op het punt
om op te stappen, de proviandzak stevig tegen zich aangedrukt.
“Laat die rugzak gerust bij ons. Je wou hem toch niet
meesleuren?”, zei de ene.
“Inderdaad, laat hem maar aan ons over. Wij zullen hem voor
jou bewaren”, vulde de andere aan. Ze griste hem de zak bijna
uit handen. De vos aarzelde. Uiteindelijk liet hij zijn
kostbaar bezit aan hun zorg over. Nauwelijks was hij achter
de schapen aan of de meisjes hadden de knoop al losgemaakt.
O wee, de duiven en patrijzen fladderden weg! Daar stonden
de meisjes dan, met een lege rugzak.
“Hoe moeten we ons nu hieruit redden?” riepen de meisjes
ontzet.
Een ogenblik bleven ze radeloos staan, maar ze vonden een
oplossing. Ze namen een cactus en staken die in de zak.
Trillend van angst wachtten ze de vos op. Toen hij terugkwam
fluisterden de herderinnetjes: “Alsjeblief, hier heb je je
rugzak”, waarna ze zich snel uit de voeten maakten.
De vos stapte blijgezind op. Na een tijdje voelde hij iets
in zijn rug prikken.
“Aauw, aauw!”, zong hij, “Met jullie schurftige snavel!
Aauw, aauw! Met jullie schurftige snavel!”
Uitgeput en hongerig zette hij zich neer en tastte naar een
lekker hapje. Het prikte nog venijniger. De vos keek
nauwkeuriger, er zat een cactus in zijn zak! Snel haalde
hij de herderinnetjes in.
“Waar is mijn picknick naartoe? Wie heeft mijn lunch laten
ontsnappen?” riep hij boos. De twee herderinnetjes konden
enkel schuldig zwijgen.
“Goed”, dreigde de vos, “dan kies ik me voor vanavond een
van jullie schapen uit!”
Hij overviel er eentje in ´t geniep en peuzelde het helemaal
op.
Zo heeft de vos schapen leren eten.
De vos op vrijersvoeten
Pronkend met de kleren van een jongeman, ontmoette de vos een
heel droevig herderinnetje. “Liefje, waarom heb je verdriet?”
vroeg hij.
“Snif, snif, omdat mijn ouders me aan een oude, vieze man
willen uithuwelijken. Daarom”, snikte het meisje. “Toe, hou
nu op met huilen. Het is heel treurig, inderdaad, maar voor
alles bestaat er een oplossing”, troostte de vos haar.
Ontroerd hield het meisje op met huilen. Na een tijdje kwam
de vos met een voorstel: “Ik zal met je trouwen, en je zult
zien, je ouders zullen toestemmen. Kijk”, ging de vos verder,
“tot op de dag van je huwelijk blijf je heel lief voor je
verloofde. En op de dag zelf zorg ik wel voor de verrassing.”
Opgelucht stemde het meisje in.
Enkele dagen voor het huwelijk zocht de vos zijn trawanten op.
Hij sprak ze toe: “Vossebroeders, mijn toekomst en mijn
geluk hangen helemaal van jullie af. Jullie moeten de
verloofde van mijn meisje te pakken krijgen, hem bij handen
en voeten vastbinden en hem gevangen houden tot de bruiloft
is afgelopen. Akkoord?”
De vossen vonden het opperbest.
Op de dag van het huwelijk verscheen de vos, vrolijk gestemd,
in de kleren van de oude man. Met honderden gestolen schapen
meldde hij zich aan bij de ouders van het meisje. Die
ontvingen hem met open armen. Daarbij beweerde de vos nog dat
het maar de helft van de bruidsschat betrof...
Het huwelijk ging probleemloos door. Het hele gezelschap
danste en zong tot laat in de nacht.
De vos nam zijn vrouw bij de arm en trok haar mee het huis
binnen. Plots dook een oude man tussen de feestvierders op,
spiernaakt en overdekt met vieze wonden. “Bekijk me maar
goed”, riep hij, “Dit is het werk van honden. Waar is die
smerige hond die mij dit heeft aangedaan?” De ouders herkenden
de oude vrijer. De arme man was zo verschrikkelijk
toegetakeld dat de feestvierders spontaan in felle woede
ontstaken. Ze grepen een aantal stokken en palen en stormden
het huis van het pasgehuwde koppel binnen. Ze vonden de vos
in bed en rukten hem uit de armen van het meisje. “Niet doen,
niet doen!”, tierde de vos. “Ik ben een man! Kijk, ik was
het hier net aan het bewijzen!”.
Maar het mocht niet baten. De vos werd halfdood geslagen,
zodat hij het nooit meer in zijn hoofd zou halen de gedaante
van een mens aan te nemen.
De drie Andesmuzikanten
Op een zekere avond ontmoetten de vos, de adelaar en de
kever elkaar voor de huisdeur van de vos.
“In dat huis daar aan de overkant”, vertelde de vos, “wonen
welgestelde herderinnen met een flinke voorraad schapen. En
wij hier maar nodeloos honger en armoede lijden”.
De anderen keken hem onbegrijpend aan.
De vos ging verder, betekenisvol van de ene naar de andere
kijkend: “Zowel de grote als de kleine schapen zitten goed
in het vlees.”
“Vos”, vroeg de adelaar, “wat bedoel je daar nu mee? Wees
voor een keer duidelijk.”
“Wel”, antwoordde de vos, “in het huis aan de overkant wonen
drie herderinnen die veel schapen bezitten. Op een avond ben
ik op onderzoek uitgetrokken. Ik heb het met eigen ogen
kunnen vaststellen: de meisjes zien er weldoorvoed uit en
hun schapen zijn lekker dik.” Dat zei de vos om de buit
aantrekkelijker te maken.
“Tjah”, zuchtte de kever, “ik begrijp het wel, maar hoe
geraken we daar binnen? Ik hoef mijn vleugels maar te
spreiden of ze hebben het al in de gaten.”
“Dat heb ik allemaal al uitgekiend!, juichte de vos.
Hij liep snel het huis binnen en kwam terug met een grote
zak.
“Pak maar!”, riep hij, wijzend op de zak, “Hier is jullie
vermomming!”
De vos haalde een charango-gitaar met hondesnaren te
voorschijn, waarop hij medogenloos begon te tokkelen.
De adelaar blies verwoed op een fluit. De kever zette een
enorme hoed op het hoofd en begeleidde de zang met handgeklap.
Na een korte repetitie begaf het kersverse trio zich naar
het huis aan de overkant. Door de duisternis konden de
herderinnen de muzikanten nauwelijks herkennen. Ze ontvingen
de muzikanten hartelijk en schotelden hen een rijke tafel
vlees en bier voor.
“Hahaha!! Wat grappig!! En bedien je maar!” lachten de
meisjes, zich op de dijen kletsend om het gekke postuur van
de kever. Hij leek net een duivel, met zijn grote hoed heel
diep over het hoofd getrokken.
Het gezelschap dronk, zong en danste tot laat in de nacht.
Toen de meisjes duidelijk dronken waren, knipoogde de vos
naar zijn makkers. Onder het voorwendsel dat het al laat was,
nam het trio afscheid. Terwijl de herderinnen als dood hun
roes uitsliepen, pikten de vos en zijn trawanten enkele
schapen mee.
Op die manier bestalen ze de meisjes verscheidene keren.
Het werd een vaste gewoonte. Op een dag merkten de meisjes
dat hun schapen zomaar verdwenen.
“Sinds die zangers ons bezoeken, gaan onze schapen verloren,”
zei de oudste zus.
“Waarom zouden ze ons altijd op het hart drukken om de
honden op te sluiten?”, dacht de andere luidop.
“Inderdaad, zij moeten het zijn,” viel de derde bij. De drie
zusjes verzonnen een list om de dieven te ontmaskeren.
Diezelfde nacht zetten ze nogmaals het feest in alsof er
niets aan de hand was. De herderinnen dronken zo weinig
mogelijk. Desnoods goten ze hun drankje weer in de kannen.
Eentje goot het bier zelfs af en toe in haar bloes. Wel
deden ze zich tegen het einde van de avond stomdronken voor.
Naar gewoonte namen de muzikanten afscheid met het smoesje
dat het al laat was geworden.
Nauwelijks hadden ze een poot in het schapenhok gezet, of
de meisjes lieten de honden op hen los. Het muzikale trio
zag geen andere uitweg dan zich in het feestvuur te storten.
De vos ontkwam op het nippertje, met een brandende staart
achter zich aan. De adelaar kon door een verschroeide vleugel
nauwelijks opvliegen. De kever schoot er niet alleen zijn
beide vleugels maar haast ook zijn leven bij in.
vrijdag 28 augustus 2009
Cuentos Andinos 3 + Quinua-recept
De verborgen schat van Kimsachata
De grootouders vertellen dat een zekere Aymara Jach'a Awki
(grote oude), toen hij door had dat de Spanjaarden alle
rijkdommen die zich in de provincies bevonden kwamen roven,
zijn gehele schat ging verbergen in de mond van de vulkaan
Kimsachata. Maar net op dat ogenblik brak de vulkaan uit en
door de plotse eruptie kwam Jach'a Awki vast te zitten in de
vulkaan.
Volgens sommigen had de moeder Pachamama (Moeder Aarde) deze
schat omgetoverd in overheerlijke delicatessen als fruit en
eetbare levende wezens. Volgens anderen had de geest van de
Grote Oude Aymara de schat kunnen omtoveren in aderen van
puur sulfer.
Toen er al millennia waren gepasseerd, kwam er aan de voet
van de vulkaan Kimsachata een sulfer-bedrijf het mineraal
exploiteren. Maar later, toen de mijnwerkers weet hadden van
de uitputting van de rijkdom van de mijn, vertrokken ze op
zoek naar nieuwe aders.
Op een zekere dag had een mijnwerker toevallig een zuivere
sulferader ontdekt en om zijn ontdekking te kunnen bewijzen
aan zijn collega's, had hij een zekere hoeveelheid pure
sulfer bovengehaald en het mee naar het mijnwerkersdorp
genomen. Diezelfde nacht - zoals te verwachten was – werd het
blijde nieuws uitbundig gevierd met een geïmproviseerd feest,
zeggen ze.
De volgende dag was de ontsteltenis groot toen de mijnwerkers
de zogezegde ontdekte sulferader niet vonden. Vanaf die dag
- zegt men - werd de mijnwerker die de ader ontdekt had zot
en bleef het tot aan zijn dood.
Al snel gingen de mijnwerkers te raad bij een yatiri ("Hij
die weet en kan"), die zag dat de gek geworden mijnwerker
gedurfd had de verborgen schat van Kimsachata aan te raken
zonder eerst een wilancha (offer) van een witte lama te hebben
gebracht.
Vanaf toen groeide de legende van generatie op generatie en
die verzekerde dat in de nachten van de "jayri" (volle maan)
om klokslag twaalf uur de poorten naar de verborgen schat
open gaan. Volgens sommigen bestaat de verborgen schat uit
zuivere sulferaders en volgens anderen uit een opslagplaats
van eten. In beide gevallen mag men zich de schat toeëigenen,
op voorwaarde dat men eerst een wilancha heeft gebracht.
En vandaag de dag gaan vele bewoners met volle maan om
middernacht naar de mijn van Paya Chata om een wilancha te
offeren met de hoop dat ze die nacht de verborgen schat zullen
vinden in de mythische vulkanische Aymara-berg van Kimsachata.
De legende van de Quinua
De voortdurende strijd waarin de Aymara-volkeren verwikkeld
waren, heeft - volgens de legende - de woede van Wiraqucha,
God van het Universum, opgewekt. Als straf ontketende hij een
verwoestende droogte in de hele Andijnse hoogvlakte. De weinige
overlevende bewoners leden langzamerhand aan een
verschrikkelijke ondervoeding naar aanleiding van deze
gruwelijke straf, met de dood tot gevolg.
De moeder Pachamama (Moeder Aarde) was aangedaan door de
lijdensweg die haar kinderen moesten ondergaan en ze weende en
was ontroostbaar.
Haar gehuil - zeggen de grootouders - veranderde al vallend
in een regenvlaag ter omvang van een kolkende rivier die de
hele altiplano (hoogvlakte) voor meerdere weken liet baden
in het water.
De Pachamama, beklaagd omwille van haar diepe moederlijke
pijn, had ook fluimen bloed uitgespuugd, die enkele
goudkorrels bevatten.
De legende vertelt dat de regenboog deze goudkorreltjes
donker rood, licht rood, wit, beige, geel en nog anders
kleurde.
Met de tijd ontsproot in deze plaats waar de Pachamama had
getuft de prachtige plant quinua "juyra". Deze plant bewaart
vandaag de dag nog de kleuren van de regenboog in haar
goudkorrels, net als een flard van de regenboogstralen die
geborduurd lijken in haar bladeren.
De quinua, het machtige voedsel, rijk aan vele voedingsstoffen,
dat oorspronkelijk uit het binnenste van de Pachamama komt,
is er in geslaagd om het wonder te verrichten van de
versterking van het leven van de Aymara's, die vandaag de dag
bloeien als een rijke cultuur.
Quinua-recepten:
Je kan in elk gerecht rijst of couscous vervangen door Quinua,
het moet ongeveer een kwartier koken.
Quinua is heel lekker met groentjes en op het einde, vlak voor
het gerecht klaar is, kan je er nog blokjes kaas aan toe voegen.
Quinua combineert heel goed met kaas.
Je kan Quinua ook koken in melk ipv in water. Doe er dan ipv
zout suiker bij. Witte, bruine of candijsuiker. Ook kaneel en
vanille is heel lekker. “Quinua con leche” heet dit gerecht.
Ik heb op een Sfinks-festival-marktje in België ooit eens
lasagna van Quinua gegeten, dat was ook overheerlijk. In
plaats van lasagneblaadjes een laagje Quinua-korrels. Valt wel
een beetje uit elkaar als de lasagna te lopend uitdraait, maar
dat is geen ramp he.
Smakelijk!
De grootouders vertellen dat een zekere Aymara Jach'a Awki
(grote oude), toen hij door had dat de Spanjaarden alle
rijkdommen die zich in de provincies bevonden kwamen roven,
zijn gehele schat ging verbergen in de mond van de vulkaan
Kimsachata. Maar net op dat ogenblik brak de vulkaan uit en
door de plotse eruptie kwam Jach'a Awki vast te zitten in de
vulkaan.
Volgens sommigen had de moeder Pachamama (Moeder Aarde) deze
schat omgetoverd in overheerlijke delicatessen als fruit en
eetbare levende wezens. Volgens anderen had de geest van de
Grote Oude Aymara de schat kunnen omtoveren in aderen van
puur sulfer.
Toen er al millennia waren gepasseerd, kwam er aan de voet
van de vulkaan Kimsachata een sulfer-bedrijf het mineraal
exploiteren. Maar later, toen de mijnwerkers weet hadden van
de uitputting van de rijkdom van de mijn, vertrokken ze op
zoek naar nieuwe aders.
Op een zekere dag had een mijnwerker toevallig een zuivere
sulferader ontdekt en om zijn ontdekking te kunnen bewijzen
aan zijn collega's, had hij een zekere hoeveelheid pure
sulfer bovengehaald en het mee naar het mijnwerkersdorp
genomen. Diezelfde nacht - zoals te verwachten was – werd het
blijde nieuws uitbundig gevierd met een geïmproviseerd feest,
zeggen ze.
De volgende dag was de ontsteltenis groot toen de mijnwerkers
de zogezegde ontdekte sulferader niet vonden. Vanaf die dag
- zegt men - werd de mijnwerker die de ader ontdekt had zot
en bleef het tot aan zijn dood.
Al snel gingen de mijnwerkers te raad bij een yatiri ("Hij
die weet en kan"), die zag dat de gek geworden mijnwerker
gedurfd had de verborgen schat van Kimsachata aan te raken
zonder eerst een wilancha (offer) van een witte lama te hebben
gebracht.
Vanaf toen groeide de legende van generatie op generatie en
die verzekerde dat in de nachten van de "jayri" (volle maan)
om klokslag twaalf uur de poorten naar de verborgen schat
open gaan. Volgens sommigen bestaat de verborgen schat uit
zuivere sulferaders en volgens anderen uit een opslagplaats
van eten. In beide gevallen mag men zich de schat toeëigenen,
op voorwaarde dat men eerst een wilancha heeft gebracht.
En vandaag de dag gaan vele bewoners met volle maan om
middernacht naar de mijn van Paya Chata om een wilancha te
offeren met de hoop dat ze die nacht de verborgen schat zullen
vinden in de mythische vulkanische Aymara-berg van Kimsachata.
De legende van de Quinua
De voortdurende strijd waarin de Aymara-volkeren verwikkeld
waren, heeft - volgens de legende - de woede van Wiraqucha,
God van het Universum, opgewekt. Als straf ontketende hij een
verwoestende droogte in de hele Andijnse hoogvlakte. De weinige
overlevende bewoners leden langzamerhand aan een
verschrikkelijke ondervoeding naar aanleiding van deze
gruwelijke straf, met de dood tot gevolg.
De moeder Pachamama (Moeder Aarde) was aangedaan door de
lijdensweg die haar kinderen moesten ondergaan en ze weende en
was ontroostbaar.
Haar gehuil - zeggen de grootouders - veranderde al vallend
in een regenvlaag ter omvang van een kolkende rivier die de
hele altiplano (hoogvlakte) voor meerdere weken liet baden
in het water.
De Pachamama, beklaagd omwille van haar diepe moederlijke
pijn, had ook fluimen bloed uitgespuugd, die enkele
goudkorrels bevatten.
De legende vertelt dat de regenboog deze goudkorreltjes
donker rood, licht rood, wit, beige, geel en nog anders
kleurde.
Met de tijd ontsproot in deze plaats waar de Pachamama had
getuft de prachtige plant quinua "juyra". Deze plant bewaart
vandaag de dag nog de kleuren van de regenboog in haar
goudkorrels, net als een flard van de regenboogstralen die
geborduurd lijken in haar bladeren.
De quinua, het machtige voedsel, rijk aan vele voedingsstoffen,
dat oorspronkelijk uit het binnenste van de Pachamama komt,
is er in geslaagd om het wonder te verrichten van de
versterking van het leven van de Aymara's, die vandaag de dag
bloeien als een rijke cultuur.
Quinua-recepten:
Je kan in elk gerecht rijst of couscous vervangen door Quinua,
het moet ongeveer een kwartier koken.
Quinua is heel lekker met groentjes en op het einde, vlak voor
het gerecht klaar is, kan je er nog blokjes kaas aan toe voegen.
Quinua combineert heel goed met kaas.
Je kan Quinua ook koken in melk ipv in water. Doe er dan ipv
zout suiker bij. Witte, bruine of candijsuiker. Ook kaneel en
vanille is heel lekker. “Quinua con leche” heet dit gerecht.
Ik heb op een Sfinks-festival-marktje in België ooit eens
lasagna van Quinua gegeten, dat was ook overheerlijk. In
plaats van lasagneblaadjes een laagje Quinua-korrels. Valt wel
een beetje uit elkaar als de lasagna te lopend uitdraait, maar
dat is geen ramp he.
Smakelijk!
woensdag 26 augustus 2009
Cuentos Andinos 2
Verhalen en legenden van Karankas:
De legende van de Chipaya's
Introductie: Dit is een mondelinge geschiedenis van een volk,
de Chullpa's maar ook wel de Chipaya's genaamd. Vandaag de dag
noemt men ze de Uru-Chipaya's. De Uru's behoren tot een van
de oudste bevolkingsgroepen uit de regio. Op het Titikakameer
leefden er ook Uru's op eilanden van riet. Nu hebben de
Ayamara's daar hun plaats ingenomen.
Het verhaal is een mengeling van mondelinge geschiedenis en
legende, dus we kunnen niet altijd de waarachtigheid
achterhalen.
Deel 1:
In de regio Karankas woonden de Chullpa's. Zij waren niet met
veel maar van hen werd gezegd dat ze sedentair leefden, niet
gedomineerd werden en vrij om te gaan en staan waar ze wilden
in de Andijnse hoogvlakte.
In deze verre tijd werd de aarde - volgens deze legende -
voor een lange tijd overstroomd door een zondvloed die elk
levend wezen in zijn wateren verdronk.
Een zeker aantal Chullpa's had zich weten te redden van de
zondvloed in een rieten boot. Al varend waren ze er in geslaagd
om de berg Wila Pukara (Coipasa) te bereiken, waar ze -
volgens de Chipaya's - een ronde, stenen hut met rieten dak
bouwden op de plaats genaamd "Uluwararakuarani", nu bekend als
de bron "Pozo del Inka" (de waterput van de Inka).
Een tijd na de zondvloed stond de regio nog steeds onder water.
De Chullpa's hadden geleerd om al vissend en al jagend met
hun liwi (slinger) te overleven. Ze joegen op flamingo's,
eenden en andere wilde vogels en vissen. Hun prehistorische
sporen zijn vandaag de dag nog aanwezig: Chipay Qaqa (de grot
van de Chipaya), Liwis Quta (naam van een gemeenschap in de
regio Llica), Chipay Thaki (weg van de Chipaya), Chipay Luma
(de helling van de Chipaya), Chipay Samaña (rustplaats van de
Chipaya) en andere.
Deel 2:
Een hele tijd - misschien eeuwen - na de zondvloed, woonden
de Chullpa's verspreid over de hele regio Karankas, omgevormd
tot beginnende landbouwers, maar ze leefden vooral van de
visvangst en de jacht. De Chipaya's van nu veronderstellen
dat hun voorouders onder een half duistere zon leefden en
woonden in grotten en enkele kleine ronde hutten met rieten
dak met de deuren gericht naar het Oosten.
Op een dag kondigden de toekomstvoorspellers (yatiris) van de
provincie aan dat de woede van de zon dichterbij kwam.
De Zonnegod (in de taal van de Chipaya Thunni Yossa), zou
langs het Westen komen en hen allen verbranden.
De fatale voorspelling zorgde ervoor dat de Chullpa's hun
eenkamerwoonsten bouwden met dikke muren en met de deuren
georiënteerd naar het Oosten als voorziening om zo aan de
intense warmte van de zon te ontsnappen.
Men zegt dat het een tragisch moment was voor hen toen de
zon aan de horizon verscheen, uitgerekend in het Oosten.
De verschrikkelijk verbrandde Chullpa's stierven in hun
eigen woningen.
Een koppel Chullpa's had zich hoe dan ook weten te redden
van dit zonneoordeel. De man en vrouw hadden zich
ondergedompeld in het water van het meer Alljata (nu Q'ara
Quta of woestijnlagune) en overleefden op een stoicijnse
manier, zich voedend met waterplanten en -dieren.
De door de zon verschrikte Chullpa's waren gewend geraakt
aan deze vreemde vorm van leven in het water. Overdag leefden
ze ondergedoken in het meer Alljata en in de rivier Lauka.
's Nachts kwamen ze boven op zoek naar eten.
Een tijd later, toen ze al een stam gevormd hadden, maakten
ze hun rijk van de monding van de rivier Lauka, heel dicht
bij het meer Koipasa.
Ten tijde van deze nederzetting, zegt men, behielden ze nog
de gewoonte van hun nachtelijk leven.
In deze verre tijden was aan de voet van de Pumiri (vandaag
de berg Sabaya) een groep Aymara's aangekomen, die door de
Chullpa's Thossa Zoññi genoemd werden (in Chipaya vreemd volk).
De Aymara-immigranten settleden zich al gauw en bouwden
woonsten en zelfs een dorp of sik'a marka.
Toen de Chullpa-Chipaya's de nederzetting van de vreemde
Aymara's zagen, werden ze heel kwaad, misschien omdat deze
zich op hun territoriale domeinen bevonden.
Op een zekere keer, toen de Aymara's hun kerktoren aan het
bouwen waren, merkten ze dat hun werkzaamheden verstoord
waren en hun toren vernietigd. De volgende ochtend
identificeerden de Aymara’s de Chullpa's als zielloze en
gewetenloze daders van de vernietiging van hun werken.
Ze verzekerden zich ervan dat de incidenten zich weer zouden
voordoen die nacht en ze smeedden plannen om hen gevangen
te nemen.
Die nacht zagen de Aymara's de hele stam Chullpa's als een
lawine op zich afkomen. Ze bleven versteend van verbazing
achter. Ze zeggen dat beide groepen elkaar in een korte strijd
te lijf gingen, want de Chullpa’s trokken zich plots overhaast
en in een opwelling terug richting het Coipasameer. De
Aymara's hadden echter een van de voortvluchtigen kunnen
vangen.
Men zegt dat ze de Chullpa-gevangene, vastgebonden aan
handen en voeten, meenamen naar de pastoor, die hem zegende
met weiwater en zout en hem Chinuta (de vastgebondene) doopte,
waarvan -naar men zegt – de achternaam Chino (chinees) zou
afgeleid zijn.
Met de tijd werden achtereenvolgens alle Chullpa's gevangen.
Ze zeggen dat ze sindsdien allemaal gedoopt werden, volgens
de omstandigheden waarin ze gevangen genomen werden. Van
Luppi (dag, zonlicht) is de achternaam López afkomstig, van
Lazzu (trefzekere stoot met de slinger) zou de familienaam
Lázaro komen, en nog andere.
De Chullpa's werden na een tijd door de Aymara's omgedoopt
in Chipaya's omdat ze de gewoonte hadden om de ch'ipha, de
phala (bundel) van riet te gebruiken. Daarvan is de naam
Chipaya waarschijnlijk afkomstig.
Sinds ze gezegend waren door de pastoor verloren ze
langzaamaan hun vreemde manier van leven, maar ze verloren
niet hun gewoonten van het waterleven. Ze keerden altijd
terug naar de onherbergzame regio, om een gemeenschap te
vormen die vandaag de dag bloeit als het enige, autochtone,
duizenden jaren oude volk van de Urus-Chipaya-cultuur.
De legende van Sajama
Volgens de Andijnse mythologie van de Aymara-regio Karankas
waren de goden in voorouderlijke tijden mensen van nobele
afkomst die in een wereld van voortdurende kosmische
wederkerigheid leefden.
De nobele families werden gekenmerkt door hun rijkdom en
hun macht. Ze hadden dubbele gevoelens, zoals nederigheid en
weldadigheid voor de armen en zwakken, ze gedroegen zich
slecht en onbuigzaam tegenover zij die hen durfden uitdagen
in hun macht.
Onder hen bevond zich iemand die "De Schitterende" heette,
dat was Illimani die in de volle glorie van zijn jeugd als
een van de machtigste Caciques, de naburige provincies onder
zijn absolute bewind hield.
De majesteitelijke Cacique was het lievelingskind van
Pachakamak. De jaloersheid van Khunu had een sneeuwbui
ontketend die de weidse hoogvlakte overdekte met grote
oppervlakten van lood en water.
Pachakamak, God van het Universum en beschermer van de
verlatenen, had besloten om de roekeloze Khunu te straffen
voor zijn verachtelijke daad. Middenin de orkaanwinden gaf
hij de rebelse Khunu een slag om het hoofd, en overheerst
door woede, liet hij tussen de krachtige bliksems door zijn
bulderende stem horen en schreeuwde: "Sarjam, Sarjam,... !"
(Ga, ga weg).
Het enorme hoofd van Khunu vloog al tuimelend door de lucht
en kwam neer te liggen bij de glooiingen van Karankas.
Zijn onthoofde lichaam bleef voor eeuwig verstijfd en tot
op de dag van vandaag staan en is gekend onder de naam
Mururata of onthoofde.
Het bloed dat door Mururata verspild was, cristalliseerde
zich met de tijd in rijke koperaders die in de hele
hoogvlakte verspreid te vinden zijn. Het hoofd van de hoogste
Aymara-berg werd aangeduid met de term "Sarjam", waarvan de
naam tegenwoordig gevulgariseerd is naar Sajama.
De legende van de Chipaya's
Introductie: Dit is een mondelinge geschiedenis van een volk,
de Chullpa's maar ook wel de Chipaya's genaamd. Vandaag de dag
noemt men ze de Uru-Chipaya's. De Uru's behoren tot een van
de oudste bevolkingsgroepen uit de regio. Op het Titikakameer
leefden er ook Uru's op eilanden van riet. Nu hebben de
Ayamara's daar hun plaats ingenomen.
Het verhaal is een mengeling van mondelinge geschiedenis en
legende, dus we kunnen niet altijd de waarachtigheid
achterhalen.
Deel 1:
In de regio Karankas woonden de Chullpa's. Zij waren niet met
veel maar van hen werd gezegd dat ze sedentair leefden, niet
gedomineerd werden en vrij om te gaan en staan waar ze wilden
in de Andijnse hoogvlakte.
In deze verre tijd werd de aarde - volgens deze legende -
voor een lange tijd overstroomd door een zondvloed die elk
levend wezen in zijn wateren verdronk.
Een zeker aantal Chullpa's had zich weten te redden van de
zondvloed in een rieten boot. Al varend waren ze er in geslaagd
om de berg Wila Pukara (Coipasa) te bereiken, waar ze -
volgens de Chipaya's - een ronde, stenen hut met rieten dak
bouwden op de plaats genaamd "Uluwararakuarani", nu bekend als
de bron "Pozo del Inka" (de waterput van de Inka).
Een tijd na de zondvloed stond de regio nog steeds onder water.
De Chullpa's hadden geleerd om al vissend en al jagend met
hun liwi (slinger) te overleven. Ze joegen op flamingo's,
eenden en andere wilde vogels en vissen. Hun prehistorische
sporen zijn vandaag de dag nog aanwezig: Chipay Qaqa (de grot
van de Chipaya), Liwis Quta (naam van een gemeenschap in de
regio Llica), Chipay Thaki (weg van de Chipaya), Chipay Luma
(de helling van de Chipaya), Chipay Samaña (rustplaats van de
Chipaya) en andere.
Deel 2:
Een hele tijd - misschien eeuwen - na de zondvloed, woonden
de Chullpa's verspreid over de hele regio Karankas, omgevormd
tot beginnende landbouwers, maar ze leefden vooral van de
visvangst en de jacht. De Chipaya's van nu veronderstellen
dat hun voorouders onder een half duistere zon leefden en
woonden in grotten en enkele kleine ronde hutten met rieten
dak met de deuren gericht naar het Oosten.
Op een dag kondigden de toekomstvoorspellers (yatiris) van de
provincie aan dat de woede van de zon dichterbij kwam.
De Zonnegod (in de taal van de Chipaya Thunni Yossa), zou
langs het Westen komen en hen allen verbranden.
De fatale voorspelling zorgde ervoor dat de Chullpa's hun
eenkamerwoonsten bouwden met dikke muren en met de deuren
georiënteerd naar het Oosten als voorziening om zo aan de
intense warmte van de zon te ontsnappen.
Men zegt dat het een tragisch moment was voor hen toen de
zon aan de horizon verscheen, uitgerekend in het Oosten.
De verschrikkelijk verbrandde Chullpa's stierven in hun
eigen woningen.
Een koppel Chullpa's had zich hoe dan ook weten te redden
van dit zonneoordeel. De man en vrouw hadden zich
ondergedompeld in het water van het meer Alljata (nu Q'ara
Quta of woestijnlagune) en overleefden op een stoicijnse
manier, zich voedend met waterplanten en -dieren.
De door de zon verschrikte Chullpa's waren gewend geraakt
aan deze vreemde vorm van leven in het water. Overdag leefden
ze ondergedoken in het meer Alljata en in de rivier Lauka.
's Nachts kwamen ze boven op zoek naar eten.
Een tijd later, toen ze al een stam gevormd hadden, maakten
ze hun rijk van de monding van de rivier Lauka, heel dicht
bij het meer Koipasa.
Ten tijde van deze nederzetting, zegt men, behielden ze nog
de gewoonte van hun nachtelijk leven.
In deze verre tijden was aan de voet van de Pumiri (vandaag
de berg Sabaya) een groep Aymara's aangekomen, die door de
Chullpa's Thossa Zoññi genoemd werden (in Chipaya vreemd volk).
De Aymara-immigranten settleden zich al gauw en bouwden
woonsten en zelfs een dorp of sik'a marka.
Toen de Chullpa-Chipaya's de nederzetting van de vreemde
Aymara's zagen, werden ze heel kwaad, misschien omdat deze
zich op hun territoriale domeinen bevonden.
Op een zekere keer, toen de Aymara's hun kerktoren aan het
bouwen waren, merkten ze dat hun werkzaamheden verstoord
waren en hun toren vernietigd. De volgende ochtend
identificeerden de Aymara’s de Chullpa's als zielloze en
gewetenloze daders van de vernietiging van hun werken.
Ze verzekerden zich ervan dat de incidenten zich weer zouden
voordoen die nacht en ze smeedden plannen om hen gevangen
te nemen.
Die nacht zagen de Aymara's de hele stam Chullpa's als een
lawine op zich afkomen. Ze bleven versteend van verbazing
achter. Ze zeggen dat beide groepen elkaar in een korte strijd
te lijf gingen, want de Chullpa’s trokken zich plots overhaast
en in een opwelling terug richting het Coipasameer. De
Aymara's hadden echter een van de voortvluchtigen kunnen
vangen.
Men zegt dat ze de Chullpa-gevangene, vastgebonden aan
handen en voeten, meenamen naar de pastoor, die hem zegende
met weiwater en zout en hem Chinuta (de vastgebondene) doopte,
waarvan -naar men zegt – de achternaam Chino (chinees) zou
afgeleid zijn.
Met de tijd werden achtereenvolgens alle Chullpa's gevangen.
Ze zeggen dat ze sindsdien allemaal gedoopt werden, volgens
de omstandigheden waarin ze gevangen genomen werden. Van
Luppi (dag, zonlicht) is de achternaam López afkomstig, van
Lazzu (trefzekere stoot met de slinger) zou de familienaam
Lázaro komen, en nog andere.
De Chullpa's werden na een tijd door de Aymara's omgedoopt
in Chipaya's omdat ze de gewoonte hadden om de ch'ipha, de
phala (bundel) van riet te gebruiken. Daarvan is de naam
Chipaya waarschijnlijk afkomstig.
Sinds ze gezegend waren door de pastoor verloren ze
langzaamaan hun vreemde manier van leven, maar ze verloren
niet hun gewoonten van het waterleven. Ze keerden altijd
terug naar de onherbergzame regio, om een gemeenschap te
vormen die vandaag de dag bloeit als het enige, autochtone,
duizenden jaren oude volk van de Urus-Chipaya-cultuur.
De legende van Sajama
Volgens de Andijnse mythologie van de Aymara-regio Karankas
waren de goden in voorouderlijke tijden mensen van nobele
afkomst die in een wereld van voortdurende kosmische
wederkerigheid leefden.
De nobele families werden gekenmerkt door hun rijkdom en
hun macht. Ze hadden dubbele gevoelens, zoals nederigheid en
weldadigheid voor de armen en zwakken, ze gedroegen zich
slecht en onbuigzaam tegenover zij die hen durfden uitdagen
in hun macht.
Onder hen bevond zich iemand die "De Schitterende" heette,
dat was Illimani die in de volle glorie van zijn jeugd als
een van de machtigste Caciques, de naburige provincies onder
zijn absolute bewind hield.
De majesteitelijke Cacique was het lievelingskind van
Pachakamak. De jaloersheid van Khunu had een sneeuwbui
ontketend die de weidse hoogvlakte overdekte met grote
oppervlakten van lood en water.
Pachakamak, God van het Universum en beschermer van de
verlatenen, had besloten om de roekeloze Khunu te straffen
voor zijn verachtelijke daad. Middenin de orkaanwinden gaf
hij de rebelse Khunu een slag om het hoofd, en overheerst
door woede, liet hij tussen de krachtige bliksems door zijn
bulderende stem horen en schreeuwde: "Sarjam, Sarjam,... !"
(Ga, ga weg).
Het enorme hoofd van Khunu vloog al tuimelend door de lucht
en kwam neer te liggen bij de glooiingen van Karankas.
Zijn onthoofde lichaam bleef voor eeuwig verstijfd en tot
op de dag van vandaag staan en is gekend onder de naam
Mururata of onthoofde.
Het bloed dat door Mururata verspild was, cristalliseerde
zich met de tijd in rijke koperaders die in de hele
hoogvlakte verspreid te vinden zijn. Het hoofd van de hoogste
Aymara-berg werd aangeduid met de term "Sarjam", waarvan de
naam tegenwoordig gevulgariseerd is naar Sajama.
Cuentos Andinos 1
Andijnse verhalen:
Vertaald uit Cuentos Andinos de Montaña - 2002
(Copyright: Anaïs De Mol)
Introductie:
De Andijnse mens ziet de bergen als godheden, als vaders van
de gemeenschappen, als een plaats waar de beschermheren,
de voorouders, de geesten van de mensen die vroeger bestonden
de producten en oogsten van hun volk voortduren bewaken (Apus).
Daarom leest de Andijnse mens in de bergen wat er gebeurt en
begrijpt hen als zeer belangrijke natuurlijke aanwijzingen,
die de levenskwaliteit verhogen, om te weten of er een goede
oogst op komst is of niet.
Dit verhaal komt uit een verhalenbundel, opgetekend nadat
kinderen van verschillende leeftijden ze vertelden, zoals ze
aan hen verteld zijn door hun grootouders en ouders, vandaar
het mondelinge karakter dat benadrukt wordt.
Onze bergen (Aymara)
Men vertelt dat de bergen en bergketens vroeger spraken van
hun domeinen, van hunne majesteiten en van hun rijkdommen.
Thunupa is een jonge kerel, beladen met rijkdom. Hij is
sympathiek, majesteitelijk, intelligent, van een goede grootte
en, vanzelfsprekend, galant.
Op een dag liet de vaak hem in een diepe slaap vallen. Het is
te zeggen, hij viel in slaap zonder wakker te worden tot de
volgende dag. Nadat de zon reeds op was, werd hij wakker en
zei: "Ai ai, wat een vaak, ai, wat een honger."
Nadat hij zich een beetje hersteld had, zocht hij iets om te
eten. Hij vond enkel een paar achakanas (wilde bessen), bracht
ze naar zijn mond, beet er in en viel opnieuw in slaap.
Die nacht viel er een intense regenbui in de hele regio van
zijn rijk, het regenwater liet bijna de hele gemeenschap
overstromen. Toen hij wakker werd, zag Thunupa dat zijn
omgeving vol water stond. Hij werd woedend, sprak het water
verwijtend toe: "Ga meer naar ginder, naar de zuidkant van
deze plek, naar de pampas vol zout!"
Dit gezegd zijnde, verzamelde al het water zich en vloeide
naar de aangewezen plek, om zich daarna om te vormen in zout,
vandaag de dag gekend als zoutvlakte van Uyuni
(Salar de Uyuni).
Thunupa bezat bovennatuurlijke krachten en het was gekend dat
hij een verschikkelijk veeleisend leider was.
Later doorwaadde hij overstroomde plaatsen en vond er zilver
en goud en nog andere kostbare metalen die hij leuk vond.
Hij genoot ervan om te wandelen in de gebieden die door de
regen waren aangedaan.
Een tijdje later riep hij alle dieren van zijn domeinen
bijeen, want hij kende de namen van elkeen, zowel van degenen
die vier poten hebben als van degenen die vliegen, waarvan
we er enkele zullen noemen: Quwi (konijn), Tuju (mol),
Juk'ucha (muis), Huari (vicuña), Atoq (vos), Añathuya
(stinkdier), Urpi (duif), Alqhamari (raaf), Qusqu (uil),
P'isaqa (patrijs), Kullku (tortelduif), Paka (adelaar),
Mamani (havik) en Kunturi (condor).
Al deze dieren werden door Thunupa bijeengeroepen voor een
vergadering of hoorzitting om precieze instructies te krijgen
zodat ze aan hun mandaat of missie konden voldoen. Beetje bij
beetje kwamen de opgeroepen dieren aan, naargelang hun
lichamelijke mogelijkheden. Ondertussen bereidde Thunupa een
banketmaaltijd voor om zijn genodigden te ontvangen en hen een
plezier te doen. Nog nooit had hij ze op deze manier
ontvangen en op deze gelegenheid wilde hij hen raadplegen
over een mogelijke oplossing voor zijn eenzaamheid.
Doordat Thunupa over bovennatuurlijke krachten beschikte,
kon hij andere kleinere bergen bevelen geven en kon hij
bescherming bieden tegen invasies van plagen en
oorlogsbedreigingen, enz.
Na een lange wachttijd kwamen de eerste dieren op de
vergaderplek aan. Als eerste arriveerden : de vicuña, de vos
en de struisvogel, want zij waren de snelsten. De rest kwam
later, vermoeid en uitgeput. De dieren met vleugels kwamen
bijna allemaal tegelijk aan, maar de patrijs kwam een beetje
later, want zij vliegt in etappen, oftewel beetje bij beetje.
Toen de condor aankwam, werd hij door iedereen met een applaus
ontvangen, behalve door het konijn, want die is namelijk altijd
zijn slachtoffer.
Toen alle genodigden eindelijk aanwezig waren, gaf Thunupa
de aanwezigheidslijst door waarop ze hun naam moesten
invullen en iedereen was aanwezig, behalve de mier, de
tarantulas, de spinnen, de kikkers, de hagedissen, de vliegen
en anderen. Want zij hebben niet veel in de pap te brokken
bij belangrijke beslissingen, noch voeren zij belangrijke
missies uit.
Uiteindelijk kon de vergadering of hoorzitting onder leiding
van de grootmeester Thunupa beginnen.
Thunupa keek hen allen met veel genoegen en waardering aan en
zei: "Mijn geëerde vrienden, wees welkom in deze grote
vergaderplaats die speciaal gebouwd werd met grote stenen,
heidestruiken (t'olas), doornen, cactussen en van alle soorten
onkruid. Ik hoop dat jullie vele goede zaken overhouden aan
jullie verblijf hier. Ik vraag jullie allemaal om hier
verenigd te zijn in begrip en samenwerking. Vrede zij met
jullie, zonder vijandigheden, om onbegrijpelijkheden te
overkomen die haat veroorzaken, en ruzies, en wraak, en zelfs
gewelddadigheden ingegeven door de slechtheid. Deze
georganiseerde vergadering is heel belangrijk. Jullie hadden
er geen weet van waar jullie waren, of wie jullie bescherming
en onderdak bood, of onder welke koning of regering jullie
leefden, evenals jullie niet wisten wie jullie de zon bracht,
de regens, de lucht, de gepaste voeding om te overleven, zodat
jullie zich konden bewegen op de aarde. Alle soorten voordelen
vallen jullie ten deel, bevinden zich binnen jullie bereik
en niemand van jullie heeft enige reden om te klagen want
allen hebben de hulp van de natuur ontvangen en haar moeten
jullie dankbaar zijn voor het leven dat ze jullie schonk en
voor dit alles....
Luister goed. Voor dit alles (schreeuwde hij) moeten wij ons
niet gedragen in dit leven als schaamtelozen, als onhoffelijken
en respectlozen, als vagebonden, luieriken, beschuldigers en
vechtersbazen, uitstellers, leugenaars en dieven... Hebben
jullie dat gehoord?" schreeuwde hij.
Allen bogen zij vernederd het hoofd.
Dit gezegd zijnde, hernam hij het woord: "Mijn lieve vriendjes,
ik zal jullie niet langer terecht wijzen, maar jullie moeten
nadenken over wat ik zonet in mijn toespraak gezegd heb.
Bovendien smeek ik dat niemand zich beledigd voelt, noch boos
achter blijft. Het is nodig om goede gewoonten in ons dagelijks
leven in te planten, ik smeek het jullie, omdat jullie
allemaal in harmonie en rust moeten leven met elkaar."
Na deze magistrale redevoering, keek Thunupa hen allen fel
in de ogen en herinnerde hij zich zijn eenzaamheid. Hij had
geen troost om de tijd van zijn leven te verdrijven en zag
dat het noodzakelijk was om een levenspartner te hebben want
zijn leven was niet perfect en hij verveelde zich en hij vond
geen oplossing voor deze diepe wens.
Na diep nagedacht te hebben, zei hij het volgende: "Vergeef
mij mijn woorden. Bij deze gelegenheid heb ik jullie harten
misschien gekwetst, maar denk er eens goed over na en neem
in gedachten dat ik dit jullie verschuldigd ben en ik wil dat
jullie goed naar mij luisteren. Ik bevind mij verzonken in een
diepe eenzaamheid. Ik ben alleen... ik ben alleen..." En hij
begon bittere tranen te wenen.
"Broeders", zei hij, "ik heb een levensgezellin nodig, zoals
iedereen van jullie hier een levensgezel heeft. Ik wil ook
iemand aan mijn zij hebben, iemand die mijn eenzaamheid doet
verdwijnen als sneeuw voor de zon. Daarvoor heb ik jullie
medewerking nodig omdat jullie de enigen zijn die mij kunnen
helpen. Daarom geef ik jullie een mandaat en krijgen jullie
de opdracht om te gaan uitpluizen en te gaan vragen, ginder,
in Jach'a Quta (Poopó-meer) want in het midden van die regio
woont een cholita (indiaanse) met een pollera (bolrok).
Haar naam is Panza (buikje). Heel mooi en sympathiek, maar
omdat ze in het midden van het meer woont, is het voor mij
moeilijk om daar te geraken.
Daarom vraag ik jullie om als commissie te gaan, deze
commissie zal gevormd worden door mijn vriendjes de
hoogvliegers", zei Thunupa.
De commissie werd samengesteld met de Condor, de Adelaar,
de havik en de uil als leden. De ambassade vloog naar de
raadpleging zoals opgedragen door de Heer Thunupa. Zij hadden
de opdracht gekregen om informatie te verspreiden over al
zijn domeinen, over alle kwaliteiten die waren samengebracht
in de grote baas en de uitstekende manier waarop hij regeert.
Om met alles wat hem is toevertrouwd, waarvoor hij zorg moet
dragen, de mooie vrouw Panza die in het midden van het meer
woont, te overtuigen.
Zij bezat ook vele dankbare kwaliteiten. De rijkdommen die
zich in het Poopó-meer bevinden is een reden waarom Thunupa
zijn oog heeft laten vallen op de mooie Panza zodat zij zijn
levensgezellin zou worden en zijn gepaste hulp voor de rest
van zijn leven. Ook zij leeft haar leven in eenzaamheid.
Zoals elk levend wezen moet ze een koppel vormen en niet in
eenzaamheid leven, want dat is niet natuurlijk.
De commissie, uitgekozen door de hoogste leider, kwam aan in
het rijk van de cholita van Jach'a Quta, haar alle eer en
onderdanigheid betonend die haar toekomen. De koningin van
het meer van haar kant was zeer verbaasd om een commissie
van zo'n hoog niveau te zien die aankwam op haar domeinen en
te mogen ontvangen zonder dat de reden van het bezoek en de
afkomst bekend waren.
Het koninkrijk Jach'a Quta bereidde een goddelijke ontvangst
voor voor de delegatie die voor de eerste keer naar deze
sector kwam. In haar domeinen leefden er vissen en vogels.
Eenmaal de vergadering met de bezoekers geïnstalleerd was,
kon het gesprek beginnen. "In eerste instantie vraagt het
koninkrijk dat jullie de reden voor jullie bezoek ophelderen."
De baas van de delegatie, de condor, nam als eerste het woord
en zei: "Hare Majesteit, u verdient veel respect en
bewondering van onzen 't wege. Wij zijn de dagers van een
speciale boodschap. Protocolaire groeten van onze grote baas
en majesteitelijke Thunupa die ten zuiden van uw domeinen
woont, oh mooie koningin! Onze meester bezit grote domeinen,
wordt ten zeerste gerespecteerd door iedereen die hem omringt.
Concreter, mijne majesteit Thunupa is een sympathieke
jongeling, van een goede grootte en vriendelijk tegen iedereen,
maar hij leeft in eenzaamheid. Hiermee wil ik zeggen dat hij
vrijgezel is en een gezellin nodig heeft die tot op zekere
hoogte zijn eenzaamheid helpt te boven te komen. Hij zou
willen weten of deze mooie verschijning, de koningin van
Jach'a Quta, met hem in het huwelijk zou willen treden.
Hij heeft u gekozen omwille van uw grote lieftalligheid en uw
grote kwaliteiten om koningin te kunnen zijn van mijne
majesteit. Dat is de grote missie die hij ons heeft gegeven,
u om uw hand vragen. En als u toestemt, zal mijn meester
zeer gelukkig zijn en een feest geven zo groot als er nooit
een geweest is."
De koningin van het meer luisterde aandachtig naar de naar
voor gebrachte expressies door de chef van de delegatie die
de condor was en na een tijdje na te denken, kwamen er enkele
ogenblikken waarin zij zich verblijdde. Maar er waren ook
redenen waarom ze verdrietig werd, want moest ze het voorstel
aanvaarden, dan zou ze al haar domeinen moeten achterlaten.
Zo zouden de vissen en de vogels achterblijven zonder
koningin.
Ze dacht aan wat ze zonder haar zouden doen, want ze
herinnerde zich dat al de dieren onder haar bescherming en
heerschappij stonden.
Zij dacht: "Als ik trouw, dan worden alle dieren wezen.
Wie zal hen dan beschermen tegen de windstoten van het leven?"
De koningin, nog steeds onbeslist, zei het volgende: "Mijn
geëerde ambassadeurs van Zijne Majesteit Thunupa. Wees de
dragers van mijn groeten aan uw meester en laat hem weten
dat uw ontvangst hier fantastisch was. Mijn antwoord is het
volgende: Nadat ik diep heb nagedacht over de vraag die hier
aan mijn domeinen en aan hun koningin van het meer is gesteld,
zal ik mijn voornaamste dieren die hier in het meer wonen
bijeenroepen om een beslissing te nemen over mijn toekomst.
Want als ik trouw met uwe majesteit, worden mijn
beschermelingen wees. Hen verlaten is ongemak scheppen in de
organisatie van hun leven. Ik vraag uitstel zonder datum tot
ik een oplossing heb gevonden en hen die mij omringen heb
geraadpleegd. En verontschuldig mij voor mijn niet zo positief
antwoord. Ik zal snel een oplossing voorzien."
De vos, sluw als hij is, zei het volgende: "Alstublieft mijn
prachtige lieflijke koningin, ik weet dat je het aanbod van
mijne majesteit niet gaat afslaan. In naam van zijn liefde,
aanvaardt reeds ons voorstel. Uwe koningin zal trouwens groot
zijn in de volheid van de aarde, voor ons zal u een lieve
moeder zijn, een geheiligde koningin. Wij zullen voor de rest
van uw leven uw onderdanen en dienaars zijn. Tijdens onze
zitting zijn we ermee akkoord gegaan naar u te gaan en hier
zijn we dan, met het blijde nieuws om uw toestemming te bekomen,
om zo te kunnen terugkeren met een positief antwoord."
De vos wist met deze woorden de koningin te ontroeren, maar
haar sereniteit was onverstoorbaar en daardoor hield ze zich
aan haar vorige beslissing: haar beschermelingen bijeenroepen
en hun raad vragen omdat ze bang was dat alle bewoners van
het meer achtergelaten zouden worden.
De commissie vertrok zonder te hebben bekomen wat hunne
majesteit hen had opgedrag en had een lange weg af te leggen.
Ze stegen hoog op in de lucht voor hun terugkeer.
Later keek de koningin naar de kristalheldere wateren van
het meer. Ze zag hoe de golven met de vogels speelden en zag
in hen een teken van vreugde en gejubel omdat ze het voorstel
van de koning die aan de andere kant woont niet had aanvaard.
Hij was uiteindelijk een complete vreemdeling, van wie ze
enkel weet had via de referenties van de commissie. Haar
beslissing was nog hangende, elk ogenblik kon ze haar laatste
woord geven van aanvaarding of verwerping van het verzoek.
De commissie keerde terug van de lange reis en arriveerde
voor zijne majesteit om hem nieuws te brengen waarnaar de
koning zo verlangde. De condor nam als eerste het woord.
Hij informeerde hem over het ontvangst en de eer die betuigd
was aan de ambassade van Thunupa. Toen hij dat hoorde, was
de koning zeer tevreden en bedankte de koningin van het meer
voor de manier waarop ze zich gedragen had.
Het tweede deel van het nieuws, wat het belangrijkste was
voor de koning, was redelijk adembenemend, want dat was niet
positief. Nadat hij dat nieuws vernomen had, begon hij bijna
te huilen omdat zijn huwelijksaanzoek niet aanvaard was en
hij voelde zich in zijn bedoelingen gekrenkt, maar hij besloot
om in ieder geval nog een tijdje te wachten.
Maar de dieren in zijn rijk dachten er niet hetzelfde over
als hij. Ze waren heel boos toen ze van het nieuws op de
hoogte gebracht werden en besloten de oorlog te verklaren
aan de koningin en haar rijk. De condor, die de baas was van
alle dieren, besloot alle dieren van elke soort bijeen te
roepen om aan te vallen bij volle maan om van de weerkaatsing
ervan in het water gebruik te kunnen maken om te zien tot
waar haar rijk loopt.
Meester Thunupa begreep de woede van zijn onderdanen en
steunde hen in al hun beslissingen, ookal voelde hij zich
zwak en verbitterd. Zijn macht en zijn moed ontvluchtten hem
dankzij de grote desillusie die hij leed in zijn liefde voor
cholita Panza.
Langs de andere kant verdiepte de koningin van het meer zich
in gedachten en ging de strijd aan met het dilemma: trouwen
met de majesteitelijke Thunupa of niet. Ze dacht bij zichzelf:
"Misschien zijn er wel beteren dan hem". En van dit over en
weer gepeins werd ze plotseling ziek.
In de delegatie van de koning zat ook een uil. Dit diertje is
gekend om zijn hekserij en zijn toverspreuken. Hij sprak een
toverspreuk uit over het vrouwtje van het meer en ondertussen
vielen Thunupa's krijgers met al hun macht aan. Duizenden
condors, adelaars en kraaien vlogen door de lucht en de
vicuñas evenals de struisvogels en vossen naderden per land.
Thunupa werd verraden door zijn zwakheid en werd ziek en
Panza bevond zich in dezelfde situatie.
De hoogste schepper kwam deze grote onrechtvaardigheden te
weten en wilde orde op zaken stellen en gerechtigheid laten
gelden: hij veranderde hen in steen, zodat er geen verdere
confrontaties meer konden plaatsvinden.
Na deze gebeurtenis werden alle dieren aan hun lot overgelaten.
Vandaag de dag is Thunupa een heel hoge berg die zich in de
provincie Ladislao Cabrera bevindt. Jach'a Quta is het eiland
Panza dat zich in het Poopó-meer bevindt.
Vertaald uit Cuentos Andinos de Montaña - 2002
(Copyright: Anaïs De Mol)
Introductie:
De Andijnse mens ziet de bergen als godheden, als vaders van
de gemeenschappen, als een plaats waar de beschermheren,
de voorouders, de geesten van de mensen die vroeger bestonden
de producten en oogsten van hun volk voortduren bewaken (Apus).
Daarom leest de Andijnse mens in de bergen wat er gebeurt en
begrijpt hen als zeer belangrijke natuurlijke aanwijzingen,
die de levenskwaliteit verhogen, om te weten of er een goede
oogst op komst is of niet.
Dit verhaal komt uit een verhalenbundel, opgetekend nadat
kinderen van verschillende leeftijden ze vertelden, zoals ze
aan hen verteld zijn door hun grootouders en ouders, vandaar
het mondelinge karakter dat benadrukt wordt.
Onze bergen (Aymara)
Men vertelt dat de bergen en bergketens vroeger spraken van
hun domeinen, van hunne majesteiten en van hun rijkdommen.
Thunupa is een jonge kerel, beladen met rijkdom. Hij is
sympathiek, majesteitelijk, intelligent, van een goede grootte
en, vanzelfsprekend, galant.
Op een dag liet de vaak hem in een diepe slaap vallen. Het is
te zeggen, hij viel in slaap zonder wakker te worden tot de
volgende dag. Nadat de zon reeds op was, werd hij wakker en
zei: "Ai ai, wat een vaak, ai, wat een honger."
Nadat hij zich een beetje hersteld had, zocht hij iets om te
eten. Hij vond enkel een paar achakanas (wilde bessen), bracht
ze naar zijn mond, beet er in en viel opnieuw in slaap.
Die nacht viel er een intense regenbui in de hele regio van
zijn rijk, het regenwater liet bijna de hele gemeenschap
overstromen. Toen hij wakker werd, zag Thunupa dat zijn
omgeving vol water stond. Hij werd woedend, sprak het water
verwijtend toe: "Ga meer naar ginder, naar de zuidkant van
deze plek, naar de pampas vol zout!"
Dit gezegd zijnde, verzamelde al het water zich en vloeide
naar de aangewezen plek, om zich daarna om te vormen in zout,
vandaag de dag gekend als zoutvlakte van Uyuni
(Salar de Uyuni).
Thunupa bezat bovennatuurlijke krachten en het was gekend dat
hij een verschikkelijk veeleisend leider was.
Later doorwaadde hij overstroomde plaatsen en vond er zilver
en goud en nog andere kostbare metalen die hij leuk vond.
Hij genoot ervan om te wandelen in de gebieden die door de
regen waren aangedaan.
Een tijdje later riep hij alle dieren van zijn domeinen
bijeen, want hij kende de namen van elkeen, zowel van degenen
die vier poten hebben als van degenen die vliegen, waarvan
we er enkele zullen noemen: Quwi (konijn), Tuju (mol),
Juk'ucha (muis), Huari (vicuña), Atoq (vos), Añathuya
(stinkdier), Urpi (duif), Alqhamari (raaf), Qusqu (uil),
P'isaqa (patrijs), Kullku (tortelduif), Paka (adelaar),
Mamani (havik) en Kunturi (condor).
Al deze dieren werden door Thunupa bijeengeroepen voor een
vergadering of hoorzitting om precieze instructies te krijgen
zodat ze aan hun mandaat of missie konden voldoen. Beetje bij
beetje kwamen de opgeroepen dieren aan, naargelang hun
lichamelijke mogelijkheden. Ondertussen bereidde Thunupa een
banketmaaltijd voor om zijn genodigden te ontvangen en hen een
plezier te doen. Nog nooit had hij ze op deze manier
ontvangen en op deze gelegenheid wilde hij hen raadplegen
over een mogelijke oplossing voor zijn eenzaamheid.
Doordat Thunupa over bovennatuurlijke krachten beschikte,
kon hij andere kleinere bergen bevelen geven en kon hij
bescherming bieden tegen invasies van plagen en
oorlogsbedreigingen, enz.
Na een lange wachttijd kwamen de eerste dieren op de
vergaderplek aan. Als eerste arriveerden : de vicuña, de vos
en de struisvogel, want zij waren de snelsten. De rest kwam
later, vermoeid en uitgeput. De dieren met vleugels kwamen
bijna allemaal tegelijk aan, maar de patrijs kwam een beetje
later, want zij vliegt in etappen, oftewel beetje bij beetje.
Toen de condor aankwam, werd hij door iedereen met een applaus
ontvangen, behalve door het konijn, want die is namelijk altijd
zijn slachtoffer.
Toen alle genodigden eindelijk aanwezig waren, gaf Thunupa
de aanwezigheidslijst door waarop ze hun naam moesten
invullen en iedereen was aanwezig, behalve de mier, de
tarantulas, de spinnen, de kikkers, de hagedissen, de vliegen
en anderen. Want zij hebben niet veel in de pap te brokken
bij belangrijke beslissingen, noch voeren zij belangrijke
missies uit.
Uiteindelijk kon de vergadering of hoorzitting onder leiding
van de grootmeester Thunupa beginnen.
Thunupa keek hen allen met veel genoegen en waardering aan en
zei: "Mijn geëerde vrienden, wees welkom in deze grote
vergaderplaats die speciaal gebouwd werd met grote stenen,
heidestruiken (t'olas), doornen, cactussen en van alle soorten
onkruid. Ik hoop dat jullie vele goede zaken overhouden aan
jullie verblijf hier. Ik vraag jullie allemaal om hier
verenigd te zijn in begrip en samenwerking. Vrede zij met
jullie, zonder vijandigheden, om onbegrijpelijkheden te
overkomen die haat veroorzaken, en ruzies, en wraak, en zelfs
gewelddadigheden ingegeven door de slechtheid. Deze
georganiseerde vergadering is heel belangrijk. Jullie hadden
er geen weet van waar jullie waren, of wie jullie bescherming
en onderdak bood, of onder welke koning of regering jullie
leefden, evenals jullie niet wisten wie jullie de zon bracht,
de regens, de lucht, de gepaste voeding om te overleven, zodat
jullie zich konden bewegen op de aarde. Alle soorten voordelen
vallen jullie ten deel, bevinden zich binnen jullie bereik
en niemand van jullie heeft enige reden om te klagen want
allen hebben de hulp van de natuur ontvangen en haar moeten
jullie dankbaar zijn voor het leven dat ze jullie schonk en
voor dit alles....
Luister goed. Voor dit alles (schreeuwde hij) moeten wij ons
niet gedragen in dit leven als schaamtelozen, als onhoffelijken
en respectlozen, als vagebonden, luieriken, beschuldigers en
vechtersbazen, uitstellers, leugenaars en dieven... Hebben
jullie dat gehoord?" schreeuwde hij.
Allen bogen zij vernederd het hoofd.
Dit gezegd zijnde, hernam hij het woord: "Mijn lieve vriendjes,
ik zal jullie niet langer terecht wijzen, maar jullie moeten
nadenken over wat ik zonet in mijn toespraak gezegd heb.
Bovendien smeek ik dat niemand zich beledigd voelt, noch boos
achter blijft. Het is nodig om goede gewoonten in ons dagelijks
leven in te planten, ik smeek het jullie, omdat jullie
allemaal in harmonie en rust moeten leven met elkaar."
Na deze magistrale redevoering, keek Thunupa hen allen fel
in de ogen en herinnerde hij zich zijn eenzaamheid. Hij had
geen troost om de tijd van zijn leven te verdrijven en zag
dat het noodzakelijk was om een levenspartner te hebben want
zijn leven was niet perfect en hij verveelde zich en hij vond
geen oplossing voor deze diepe wens.
Na diep nagedacht te hebben, zei hij het volgende: "Vergeef
mij mijn woorden. Bij deze gelegenheid heb ik jullie harten
misschien gekwetst, maar denk er eens goed over na en neem
in gedachten dat ik dit jullie verschuldigd ben en ik wil dat
jullie goed naar mij luisteren. Ik bevind mij verzonken in een
diepe eenzaamheid. Ik ben alleen... ik ben alleen..." En hij
begon bittere tranen te wenen.
"Broeders", zei hij, "ik heb een levensgezellin nodig, zoals
iedereen van jullie hier een levensgezel heeft. Ik wil ook
iemand aan mijn zij hebben, iemand die mijn eenzaamheid doet
verdwijnen als sneeuw voor de zon. Daarvoor heb ik jullie
medewerking nodig omdat jullie de enigen zijn die mij kunnen
helpen. Daarom geef ik jullie een mandaat en krijgen jullie
de opdracht om te gaan uitpluizen en te gaan vragen, ginder,
in Jach'a Quta (Poopó-meer) want in het midden van die regio
woont een cholita (indiaanse) met een pollera (bolrok).
Haar naam is Panza (buikje). Heel mooi en sympathiek, maar
omdat ze in het midden van het meer woont, is het voor mij
moeilijk om daar te geraken.
Daarom vraag ik jullie om als commissie te gaan, deze
commissie zal gevormd worden door mijn vriendjes de
hoogvliegers", zei Thunupa.
De commissie werd samengesteld met de Condor, de Adelaar,
de havik en de uil als leden. De ambassade vloog naar de
raadpleging zoals opgedragen door de Heer Thunupa. Zij hadden
de opdracht gekregen om informatie te verspreiden over al
zijn domeinen, over alle kwaliteiten die waren samengebracht
in de grote baas en de uitstekende manier waarop hij regeert.
Om met alles wat hem is toevertrouwd, waarvoor hij zorg moet
dragen, de mooie vrouw Panza die in het midden van het meer
woont, te overtuigen.
Zij bezat ook vele dankbare kwaliteiten. De rijkdommen die
zich in het Poopó-meer bevinden is een reden waarom Thunupa
zijn oog heeft laten vallen op de mooie Panza zodat zij zijn
levensgezellin zou worden en zijn gepaste hulp voor de rest
van zijn leven. Ook zij leeft haar leven in eenzaamheid.
Zoals elk levend wezen moet ze een koppel vormen en niet in
eenzaamheid leven, want dat is niet natuurlijk.
De commissie, uitgekozen door de hoogste leider, kwam aan in
het rijk van de cholita van Jach'a Quta, haar alle eer en
onderdanigheid betonend die haar toekomen. De koningin van
het meer van haar kant was zeer verbaasd om een commissie
van zo'n hoog niveau te zien die aankwam op haar domeinen en
te mogen ontvangen zonder dat de reden van het bezoek en de
afkomst bekend waren.
Het koninkrijk Jach'a Quta bereidde een goddelijke ontvangst
voor voor de delegatie die voor de eerste keer naar deze
sector kwam. In haar domeinen leefden er vissen en vogels.
Eenmaal de vergadering met de bezoekers geïnstalleerd was,
kon het gesprek beginnen. "In eerste instantie vraagt het
koninkrijk dat jullie de reden voor jullie bezoek ophelderen."
De baas van de delegatie, de condor, nam als eerste het woord
en zei: "Hare Majesteit, u verdient veel respect en
bewondering van onzen 't wege. Wij zijn de dagers van een
speciale boodschap. Protocolaire groeten van onze grote baas
en majesteitelijke Thunupa die ten zuiden van uw domeinen
woont, oh mooie koningin! Onze meester bezit grote domeinen,
wordt ten zeerste gerespecteerd door iedereen die hem omringt.
Concreter, mijne majesteit Thunupa is een sympathieke
jongeling, van een goede grootte en vriendelijk tegen iedereen,
maar hij leeft in eenzaamheid. Hiermee wil ik zeggen dat hij
vrijgezel is en een gezellin nodig heeft die tot op zekere
hoogte zijn eenzaamheid helpt te boven te komen. Hij zou
willen weten of deze mooie verschijning, de koningin van
Jach'a Quta, met hem in het huwelijk zou willen treden.
Hij heeft u gekozen omwille van uw grote lieftalligheid en uw
grote kwaliteiten om koningin te kunnen zijn van mijne
majesteit. Dat is de grote missie die hij ons heeft gegeven,
u om uw hand vragen. En als u toestemt, zal mijn meester
zeer gelukkig zijn en een feest geven zo groot als er nooit
een geweest is."
De koningin van het meer luisterde aandachtig naar de naar
voor gebrachte expressies door de chef van de delegatie die
de condor was en na een tijdje na te denken, kwamen er enkele
ogenblikken waarin zij zich verblijdde. Maar er waren ook
redenen waarom ze verdrietig werd, want moest ze het voorstel
aanvaarden, dan zou ze al haar domeinen moeten achterlaten.
Zo zouden de vissen en de vogels achterblijven zonder
koningin.
Ze dacht aan wat ze zonder haar zouden doen, want ze
herinnerde zich dat al de dieren onder haar bescherming en
heerschappij stonden.
Zij dacht: "Als ik trouw, dan worden alle dieren wezen.
Wie zal hen dan beschermen tegen de windstoten van het leven?"
De koningin, nog steeds onbeslist, zei het volgende: "Mijn
geëerde ambassadeurs van Zijne Majesteit Thunupa. Wees de
dragers van mijn groeten aan uw meester en laat hem weten
dat uw ontvangst hier fantastisch was. Mijn antwoord is het
volgende: Nadat ik diep heb nagedacht over de vraag die hier
aan mijn domeinen en aan hun koningin van het meer is gesteld,
zal ik mijn voornaamste dieren die hier in het meer wonen
bijeenroepen om een beslissing te nemen over mijn toekomst.
Want als ik trouw met uwe majesteit, worden mijn
beschermelingen wees. Hen verlaten is ongemak scheppen in de
organisatie van hun leven. Ik vraag uitstel zonder datum tot
ik een oplossing heb gevonden en hen die mij omringen heb
geraadpleegd. En verontschuldig mij voor mijn niet zo positief
antwoord. Ik zal snel een oplossing voorzien."
De vos, sluw als hij is, zei het volgende: "Alstublieft mijn
prachtige lieflijke koningin, ik weet dat je het aanbod van
mijne majesteit niet gaat afslaan. In naam van zijn liefde,
aanvaardt reeds ons voorstel. Uwe koningin zal trouwens groot
zijn in de volheid van de aarde, voor ons zal u een lieve
moeder zijn, een geheiligde koningin. Wij zullen voor de rest
van uw leven uw onderdanen en dienaars zijn. Tijdens onze
zitting zijn we ermee akkoord gegaan naar u te gaan en hier
zijn we dan, met het blijde nieuws om uw toestemming te bekomen,
om zo te kunnen terugkeren met een positief antwoord."
De vos wist met deze woorden de koningin te ontroeren, maar
haar sereniteit was onverstoorbaar en daardoor hield ze zich
aan haar vorige beslissing: haar beschermelingen bijeenroepen
en hun raad vragen omdat ze bang was dat alle bewoners van
het meer achtergelaten zouden worden.
De commissie vertrok zonder te hebben bekomen wat hunne
majesteit hen had opgedrag en had een lange weg af te leggen.
Ze stegen hoog op in de lucht voor hun terugkeer.
Later keek de koningin naar de kristalheldere wateren van
het meer. Ze zag hoe de golven met de vogels speelden en zag
in hen een teken van vreugde en gejubel omdat ze het voorstel
van de koning die aan de andere kant woont niet had aanvaard.
Hij was uiteindelijk een complete vreemdeling, van wie ze
enkel weet had via de referenties van de commissie. Haar
beslissing was nog hangende, elk ogenblik kon ze haar laatste
woord geven van aanvaarding of verwerping van het verzoek.
De commissie keerde terug van de lange reis en arriveerde
voor zijne majesteit om hem nieuws te brengen waarnaar de
koning zo verlangde. De condor nam als eerste het woord.
Hij informeerde hem over het ontvangst en de eer die betuigd
was aan de ambassade van Thunupa. Toen hij dat hoorde, was
de koning zeer tevreden en bedankte de koningin van het meer
voor de manier waarop ze zich gedragen had.
Het tweede deel van het nieuws, wat het belangrijkste was
voor de koning, was redelijk adembenemend, want dat was niet
positief. Nadat hij dat nieuws vernomen had, begon hij bijna
te huilen omdat zijn huwelijksaanzoek niet aanvaard was en
hij voelde zich in zijn bedoelingen gekrenkt, maar hij besloot
om in ieder geval nog een tijdje te wachten.
Maar de dieren in zijn rijk dachten er niet hetzelfde over
als hij. Ze waren heel boos toen ze van het nieuws op de
hoogte gebracht werden en besloten de oorlog te verklaren
aan de koningin en haar rijk. De condor, die de baas was van
alle dieren, besloot alle dieren van elke soort bijeen te
roepen om aan te vallen bij volle maan om van de weerkaatsing
ervan in het water gebruik te kunnen maken om te zien tot
waar haar rijk loopt.
Meester Thunupa begreep de woede van zijn onderdanen en
steunde hen in al hun beslissingen, ookal voelde hij zich
zwak en verbitterd. Zijn macht en zijn moed ontvluchtten hem
dankzij de grote desillusie die hij leed in zijn liefde voor
cholita Panza.
Langs de andere kant verdiepte de koningin van het meer zich
in gedachten en ging de strijd aan met het dilemma: trouwen
met de majesteitelijke Thunupa of niet. Ze dacht bij zichzelf:
"Misschien zijn er wel beteren dan hem". En van dit over en
weer gepeins werd ze plotseling ziek.
In de delegatie van de koning zat ook een uil. Dit diertje is
gekend om zijn hekserij en zijn toverspreuken. Hij sprak een
toverspreuk uit over het vrouwtje van het meer en ondertussen
vielen Thunupa's krijgers met al hun macht aan. Duizenden
condors, adelaars en kraaien vlogen door de lucht en de
vicuñas evenals de struisvogels en vossen naderden per land.
Thunupa werd verraden door zijn zwakheid en werd ziek en
Panza bevond zich in dezelfde situatie.
De hoogste schepper kwam deze grote onrechtvaardigheden te
weten en wilde orde op zaken stellen en gerechtigheid laten
gelden: hij veranderde hen in steen, zodat er geen verdere
confrontaties meer konden plaatsvinden.
Na deze gebeurtenis werden alle dieren aan hun lot overgelaten.
Vandaag de dag is Thunupa een heel hoge berg die zich in de
provincie Ladislao Cabrera bevindt. Jach'a Quta is het eiland
Panza dat zich in het Poopó-meer bevindt.
maandag 24 augustus 2009
Machaq Mara (Gelukkig 5517!)
Op 21 juni was het winterzonnewende op het halfrond waar ik
me nu bevind.
De Aymara's en de Quechua's vieren dan het nieuwe jaar, de
overgangsnacht van de korter wordende dagen naar de lengende
dagen. Voor de Aymara's was het de overgang naar het jaar 5517.
Waarom dit getal? Omdat ze 517 jaar geleden door de Spanjaarden
gekoloniseerd zijn geworden, en daarvoor leefden ze reeds ca 5.000
jaar op deze plek.
Met een groep van zo'n 70 feestvierders waren we: Ik en enkele
van de collega's van CEPA, een klas van een middelbare school
uit Oruro, een groep universiteitsstudenten (vooral studenten
antropologie), enkele "Ecojóvenes" (dit is een groep die,
evenals de "Ecomujeres", onder CEPA werkt en activiteiten
organiseert rond milieubeheer), een autochtone muziekgroep
(Sumaj Punchay), enkele docenten van de vakgroep Antropologie
van de UTO (Universidad Técnica de Oruro) en een groep
Autoridades Originarias (Oorspronkelijke Autoriteiten, indiaanse
edelen en hoogwaardigheidsbekleders) van de Suyu Sura, een
regio ten zuiden van de stad Oruro.
Om 22u30 verzamelden we voor de deur van CEPA. We moesten nog
even de muziekgroep gaan ophalen, die ons in het centrum op de
Plaza Castro Padilla stond op te wachten. En dan met z'n allen
naar Tambo CEPA Chuzekery.
Chuzekery is een plek ten zuiden van Oruro, vlak naast het
momenteel bijna droogstaande Uru-Urumeer. CEPA heeft daar
enkele jaren geleden een stuk grondgebied gekocht en wil er
met de tijd een archeologisch park van maken. Ze zijn volop
bomen aan het planten, ze verbouwen enkele stukken grond en
hebben de heuvelflanken al uitgekamd, met behulp van de archeoloog
Johan Claeys, (die enkele jaren geleden vrijwilligerswerk deed
bij CEPA, ook via BD) en hebben resten gevonden van meer dan
80 chullpas (graftomben, stenen bouwwerken, meestal rond,
van 1m doorsnee of meer, 2m hoog of meer, waar 1, 2 of 3
mummies in werden begraven).
Tambo betekent opslagplaats, rustplaats en herberg in het
Quechua. Wie reeds in de Heilige Vallei in Perú is geweest,
zal daar menige Tambo's zijn tegengekomen waar de pelgrims die
te voet over de Camino Inka van Qosqo (Cusco) naar Machu Pijchu
(Machu Picchu) stapten, konden overnachten, uitrusten en
mondvoorraad inslaan.
Nadat we ons gezellig hadden neergezet in de grote zaal van
Tambo Chuzekery, deelde ik coca rond. Het gebruik wil dat als
je coca uitdeelt, de persoon die het aanneemt, steeds met
twee handen moet ontvangen. Ook de coca moet in twee hoopjes
in de handen worden gelegd. Dit duidt de dualiteit aan van de
inheemse maatschappij, alles bestaat nl uit 2 onlosmakelijk
verbonden elementen, die elkaar aanvullen: man-vrouw, dag-nacht,
warm-koud, ... Het een kan niet bestaan zonder het ander.
Met de Spaanse kolonisatie wilden de missionarissen van al
die duale zaken 3 maken, naar de Heilige Drievuldigheid.
Dat is met de meeste elementen wel gelukt, maar met de
heropleving van het indigenisme nu steekt de dualiteit toch
weer de kop op en wil men hier in de Andes komaf maken met
het drieledige.
Ondertussen was het al middernacht, maar het was niet aftellen
tot de klok 12 sloeg, zoals bij ons nieuwjaar wordt ingeluid,
het zou wachten worden tot de zon op kwam.
We hielden eerst een Conversatorio. Dat is een uiteenzetting
die aanleiding kan geven tot een debat, maar waar evengoed
commentaar of bedenkingen of vragen op kunnen volgen.
Eerst legden enkele collega's en een prof antropologie de
betekenis van het Inheemse Nieuwjaar uit, vertelde ik over het
Sint-Jansfeest in België en dat het nu verboden is om vuurtjes
te stoken, en daarna vertelde ik een beetje over
Interculturaliteit. We moesten toch aan de aanwezigen die
CEPA niet goed kenden, een beetje uitleggen waarmee we bezig
zijn als Cultuureenheid.
Voor ongeveer de helft van de aanwezigen was het de eerste
keer dat ze het inheemse nieuwjaar vierden. Het was ook
interessant om hun verwachtingen en motivatie eens te horen.
We dronken koffie om het warm te krijgen, want de temperatuur
was al enkele uren onder nul gezakt. In de keuken waren ze
volop bezig een maaltijd te bereiden.
Tegen half 3 staken we het kampvuur aan. De oudere vrouwen en
de zogende moeders bleven binnen, de rest ging buiten luisteren
naar de muziek van de autochtone groep Sumaj Punchay
(Grote Dag in het Quechua) en een beetje dansen rond het vuur.
Sommigen zetten de discussie van binnen voort, en ondertussen
kregen we Te con Te (dat is een warm drankje, kruidenthee met
veel suiker en een druppeltje singani, een druivenlikeur van
het type Grappa) aangeboden. Tegen 5u kregen we een lekkere
maaltijd: aardappeltjes in de schil met een stuk kip en een
pikant slaatje van uit, tomaat en tonijn.
Om half 6 besloten we om de berg te beklimmen, met de
Autoridades Originarias voorop, om de opkomende zon te verwelkomen.
De Autoridades Originarias kozen een mooie hoge berg uit, niet
de hoogste, maar wel een heilige, waarvan je ook een goed
zicht had op de hoge zonnestralen.
Onderweg naar de top was het soms op handen en voeten klimmen,
op de steile stukken, met de pillamp in de mond. We hadden
bosjes stekelig gras en een cactus aangestoken onderweg, om
de weg niet kwijt te spelen in het donker. Tijdens het laatste
stuk van de 1.5uur durende klim, was er al genoeg licht.
Boven aangekomen staken de Autoridades van de Suyu Sura een
nieuw vuur aan, namen de muzikanten hun instrumenten weer vast
en probeerden we zo veel mogelijk in beweging te blijven om
niet te bevriezen. De Autoridades bereidden een offertafeltje
voor om vlak voor de zon op kwam op het vuur te gooien. (Dit
offertafeltje was gelijkaardig met dat beschreven in het artikel
"La Víbora", enkele maanden geleden.) We dronken nog meer
Te con Te, rookten sigaretten (vele Bolivianen roken enkel bij
zulke speciale gelegenheden, tijdens Karnaval of tijdens een
bruiloft,...) en wachtten vermoeid tot de zon op kwam.
Tegen 7u35 maakten we ons klaar, de Autoridades wierpen
de "mesas" (offertafeltjes) op het vuur, gaven aan dat we op
onze knieën moesten gaan zitten met gestrekte rug, spraken
enkele woorden in een inheemse taal, een gebedje voor de Pachamama
als een bedanking, en toen de eerste zonnestralen verschenen,
vingen we ze op met onze omhooggestoken handpalmen (ik tussen
het foto's trekken door...). Het was echt een heel speciaal
ogenblik, heel ingetogen, mijmerend, bijna mediterend zaten
we daar allemaal, iedereen deed mee. Na een tiental minuten
werden de eerste Autoridades "wakker", stonden op en begonnen
elkaar te feliciteren, al kussend en schouderklopjes gevend.
Iedereen ging iedereen af om te begroeten en te feliciteren,
ookal waren we tot voordien vreemden voor elkaar. Je moest
iedereen "Que sea buena hora" (letterlijk vertaald: Dat het
een goed uur mag worden) wensen, op een goed nieuw jaar.
Een half uurtje later, als het vuur uitgedoofd was, begonnen
we aan de afdaling. Beneden, in Tambo Chuzekery, werd ons een
heerlijke dikke soep, lagua genaamd, aangeboden. We genoten
er met volle teugen van en werden door de Micro (bus) terug
afgezet aan de deur van CEPA.
Ondertussen was het al 11u. Ik ging, op weg naar huis, nog
even langs de markt om verse groenten en fruit, en verse vis
uit het Titikakameer te kopen, want het was immers zondag en
dat betekent een nieuwe lading verse vis. En dan besloot ik
om even in mijn nest te kruipen om een dutje te doen.
Op 21 juni was het winterzonnewende op het halfrond waar ik
me nu bevind.
De Aymara's en de Quechua's vieren dan het nieuwe jaar, de
overgangsnacht van de korter wordende dagen naar de lengende
dagen. Voor de Aymara's was het de overgang naar het jaar 5517.
Waarom dit getal? Omdat ze 517 jaar geleden door de Spanjaarden
gekoloniseerd zijn geworden, en daarvoor leefden ze reeds ca 5.000
jaar op deze plek.
Met een groep van zo'n 70 feestvierders waren we: Ik en enkele
van de collega's van CEPA, een klas van een middelbare school
uit Oruro, een groep universiteitsstudenten (vooral studenten
antropologie), enkele "Ecojóvenes" (dit is een groep die,
evenals de "Ecomujeres", onder CEPA werkt en activiteiten
organiseert rond milieubeheer), een autochtone muziekgroep
(Sumaj Punchay), enkele docenten van de vakgroep Antropologie
van de UTO (Universidad Técnica de Oruro) en een groep
Autoridades Originarias (Oorspronkelijke Autoriteiten, indiaanse
edelen en hoogwaardigheidsbekleders) van de Suyu Sura, een
regio ten zuiden van de stad Oruro.
Om 22u30 verzamelden we voor de deur van CEPA. We moesten nog
even de muziekgroep gaan ophalen, die ons in het centrum op de
Plaza Castro Padilla stond op te wachten. En dan met z'n allen
naar Tambo CEPA Chuzekery.
Chuzekery is een plek ten zuiden van Oruro, vlak naast het
momenteel bijna droogstaande Uru-Urumeer. CEPA heeft daar
enkele jaren geleden een stuk grondgebied gekocht en wil er
met de tijd een archeologisch park van maken. Ze zijn volop
bomen aan het planten, ze verbouwen enkele stukken grond en
hebben de heuvelflanken al uitgekamd, met behulp van de archeoloog
Johan Claeys, (die enkele jaren geleden vrijwilligerswerk deed
bij CEPA, ook via BD) en hebben resten gevonden van meer dan
80 chullpas (graftomben, stenen bouwwerken, meestal rond,
van 1m doorsnee of meer, 2m hoog of meer, waar 1, 2 of 3
mummies in werden begraven).
Tambo betekent opslagplaats, rustplaats en herberg in het
Quechua. Wie reeds in de Heilige Vallei in Perú is geweest,
zal daar menige Tambo's zijn tegengekomen waar de pelgrims die
te voet over de Camino Inka van Qosqo (Cusco) naar Machu Pijchu
(Machu Picchu) stapten, konden overnachten, uitrusten en
mondvoorraad inslaan.
Nadat we ons gezellig hadden neergezet in de grote zaal van
Tambo Chuzekery, deelde ik coca rond. Het gebruik wil dat als
je coca uitdeelt, de persoon die het aanneemt, steeds met
twee handen moet ontvangen. Ook de coca moet in twee hoopjes
in de handen worden gelegd. Dit duidt de dualiteit aan van de
inheemse maatschappij, alles bestaat nl uit 2 onlosmakelijk
verbonden elementen, die elkaar aanvullen: man-vrouw, dag-nacht,
warm-koud, ... Het een kan niet bestaan zonder het ander.
Met de Spaanse kolonisatie wilden de missionarissen van al
die duale zaken 3 maken, naar de Heilige Drievuldigheid.
Dat is met de meeste elementen wel gelukt, maar met de
heropleving van het indigenisme nu steekt de dualiteit toch
weer de kop op en wil men hier in de Andes komaf maken met
het drieledige.
Ondertussen was het al middernacht, maar het was niet aftellen
tot de klok 12 sloeg, zoals bij ons nieuwjaar wordt ingeluid,
het zou wachten worden tot de zon op kwam.
We hielden eerst een Conversatorio. Dat is een uiteenzetting
die aanleiding kan geven tot een debat, maar waar evengoed
commentaar of bedenkingen of vragen op kunnen volgen.
Eerst legden enkele collega's en een prof antropologie de
betekenis van het Inheemse Nieuwjaar uit, vertelde ik over het
Sint-Jansfeest in België en dat het nu verboden is om vuurtjes
te stoken, en daarna vertelde ik een beetje over
Interculturaliteit. We moesten toch aan de aanwezigen die
CEPA niet goed kenden, een beetje uitleggen waarmee we bezig
zijn als Cultuureenheid.
Voor ongeveer de helft van de aanwezigen was het de eerste
keer dat ze het inheemse nieuwjaar vierden. Het was ook
interessant om hun verwachtingen en motivatie eens te horen.
We dronken koffie om het warm te krijgen, want de temperatuur
was al enkele uren onder nul gezakt. In de keuken waren ze
volop bezig een maaltijd te bereiden.
Tegen half 3 staken we het kampvuur aan. De oudere vrouwen en
de zogende moeders bleven binnen, de rest ging buiten luisteren
naar de muziek van de autochtone groep Sumaj Punchay
(Grote Dag in het Quechua) en een beetje dansen rond het vuur.
Sommigen zetten de discussie van binnen voort, en ondertussen
kregen we Te con Te (dat is een warm drankje, kruidenthee met
veel suiker en een druppeltje singani, een druivenlikeur van
het type Grappa) aangeboden. Tegen 5u kregen we een lekkere
maaltijd: aardappeltjes in de schil met een stuk kip en een
pikant slaatje van uit, tomaat en tonijn.
Om half 6 besloten we om de berg te beklimmen, met de
Autoridades Originarias voorop, om de opkomende zon te verwelkomen.
De Autoridades Originarias kozen een mooie hoge berg uit, niet
de hoogste, maar wel een heilige, waarvan je ook een goed
zicht had op de hoge zonnestralen.
Onderweg naar de top was het soms op handen en voeten klimmen,
op de steile stukken, met de pillamp in de mond. We hadden
bosjes stekelig gras en een cactus aangestoken onderweg, om
de weg niet kwijt te spelen in het donker. Tijdens het laatste
stuk van de 1.5uur durende klim, was er al genoeg licht.
Boven aangekomen staken de Autoridades van de Suyu Sura een
nieuw vuur aan, namen de muzikanten hun instrumenten weer vast
en probeerden we zo veel mogelijk in beweging te blijven om
niet te bevriezen. De Autoridades bereidden een offertafeltje
voor om vlak voor de zon op kwam op het vuur te gooien. (Dit
offertafeltje was gelijkaardig met dat beschreven in het artikel
"La Víbora", enkele maanden geleden.) We dronken nog meer
Te con Te, rookten sigaretten (vele Bolivianen roken enkel bij
zulke speciale gelegenheden, tijdens Karnaval of tijdens een
bruiloft,...) en wachtten vermoeid tot de zon op kwam.
Tegen 7u35 maakten we ons klaar, de Autoridades wierpen
de "mesas" (offertafeltjes) op het vuur, gaven aan dat we op
onze knieën moesten gaan zitten met gestrekte rug, spraken
enkele woorden in een inheemse taal, een gebedje voor de Pachamama
als een bedanking, en toen de eerste zonnestralen verschenen,
vingen we ze op met onze omhooggestoken handpalmen (ik tussen
het foto's trekken door...). Het was echt een heel speciaal
ogenblik, heel ingetogen, mijmerend, bijna mediterend zaten
we daar allemaal, iedereen deed mee. Na een tiental minuten
werden de eerste Autoridades "wakker", stonden op en begonnen
elkaar te feliciteren, al kussend en schouderklopjes gevend.
Iedereen ging iedereen af om te begroeten en te feliciteren,
ookal waren we tot voordien vreemden voor elkaar. Je moest
iedereen "Que sea buena hora" (letterlijk vertaald: Dat het
een goed uur mag worden) wensen, op een goed nieuw jaar.
Een half uurtje later, als het vuur uitgedoofd was, begonnen
we aan de afdaling. Beneden, in Tambo Chuzekery, werd ons een
heerlijke dikke soep, lagua genaamd, aangeboden. We genoten
er met volle teugen van en werden door de Micro (bus) terug
afgezet aan de deur van CEPA.
Ondertussen was het al 11u. Ik ging, op weg naar huis, nog
even langs de markt om verse groenten en fruit, en verse vis
uit het Titikakameer te kopen, want het was immers zondag en
dat betekent een nieuwe lading verse vis. En dan besloot ik
om even in mijn nest te kruipen om een dutje te doen.
Abonneren op:
Posts (Atom)

