Karnaval van Oruro
Discussie:
Momenteel is er in Bolivia en Perú een discussie aan de gang
over de oorsprong van de Diablada (La Diablada is een van de
dansen die vertoond worden tijdens oa het Karnaval van Oruro).
Dat de Diablada oorspronkelijk afkomstig is van de Altiplano
is zeker, maar momenteel is de Altiplano verdeeld over
verschillende landen. De aanleiding tot deze discussie is
dat Miss Perú, Karen Schwartz, naar de Miss
Universal-verkiezingen in de Bahamas wilde gaan in een
Diableza-kostuum. Miss Bolivia zou in een struisvogelkostuum
gaan, ook een typisch kostuum van de Altiplano, maar
misschien iets minder kleurrijk, opvallend en sexy. Natuurlijk
zei Perú dat La Diableza (De Duivelin) afkomstig is van Perú,
zoals ze ook de quinua-granen claimen, en andere dingen die
ze gemeenschappelijk hebben, zoals lama's, alpaca's en
vicuñas.
De Boliviaanse regering wilde dit toch even duidelijk maken
aan de rest van de wereld dat Perú dit niet zomaar kan doen,
en schreef een brief naar de organisatoren ter verduidelijking.
Om hun goed hart te tonen, en omdat het toch al te laat was,
gaven ze Perú via de nationale- en wereldpers te kennen dat
ze toestemming hadden om het Diableza-kostuum te gebruiken.
Daarom vind ik het nu de gelegenheid om een beetje meer
uitleg te geven over het Karnaval van Oruro, een van de
bekendste van Latijns-Amerika en een belangrijk evenement
dat Oruro heden ten dage op de kaart zet als een belangrijke
stad op de Andijnse Altiplano.
Het belang van het Karnaval voor Oruro en de Orurezen is
onmetelijk. "De meerderheid van de Orurezen beaamt dat er in
Oruro het hele jaar door over Karnaval gesproken wordt"
(Lara, 2007:49). [In bijlage ook de link naar het artikel op
de blog van Marcelo Lara, de vertaling volgt nog.]
Feestdagen:
Het Karnaval wordt gevierd in februari. Het is verbonden met
het oude Feest van de Vooroogst en van de Anata-spelen.
Tijdens de koloniale periode is de datum van het Karnaval
niet vastgelegd, maar is wel afhankelijk geworden van de
Katholieke kalender, het gaat met drie dagen de vastenperiode
vooraf. De Entrada, zoals de aankomst van de karnavalsstoet
wordt genoemd, vindt plaats op zaterdagochtend, de stoet
duurt meer dan 20 uur. Maar de festiviteiten van Karnaval
zijn niet gelimiteerd tot deze drie dagen voor de
vastenperiode, eigenlijk beginnen de festiviteiten reeds in
november, met de repetities en het klaarmaken van de kostuums,
nachtelijke waken met kaarsen, etc.
Ook na de eigenlijke optocht duurt het Karnaval nog meer
dan een week voort (Lara,2007:49).
Het Andijnse Karnaval is een feest dat de Spaanse
karnavalstraditie en de inheemse verenigt, de Aymara's bv
zien in het Karnaval een hommage aan de Pachamama, opdat er
een goede oogst mag komen en ze geen honger zullen leiden
(Parejas in Lara, 2007:21). Het Karnaval wordt jaarlijks
gevierd 1) ter ere van de Virgen Candelaria del Socavón,
Patroonheilige van de stad en 2) als een viering van de
nationale Folklore, de culturele erfenis van de voorouders
(dans, muziek, rituelen, mythologie, handwerkkunst
uitgedrukt in de maskers en kostuums,...). Maar ondertussen
hebben sommige mensen deze niet-religieuze motivatie
teruggevonden en voor sommigen is het zelfs maar gewoon een
reden om te drinken, te flirten, uit de bol te gaan, te
profiteren van de tijdelijke vrijheid en de karnavaleske
excessen.
De karnavalsperiode is een tijd buiten de gewone
tijdsbeleving. De tegenstelling tussen het heilige en het
profane zorgen voor een inversie van het dagdagelijkse, een
tijdelijke verandering in "de routine en het ritme van het
gebruikelijke leven" (Lara, 2007:18-19). De stad wordt de
scene, het publiek is tevens toeschouwer én deelnemer.
De oorsprong van de Diablada:
De Orurezen willen steeds de oorsprong van La Diablada,
hoeksteen van het Karnaval van Oruro, achterhalen. Er zijn al
menige - al dan niet wetenschappelijke - boeken over
verschenen, maar er zijn niet veel bronnen in het Nederlands
te consulteren.
Het is duidelijk dat er in het Karnaval sporen van zeer oude,
precolombiaanse, agrarische rituelen en koloniale
mijnbouwrituelen terug te vinden zijn. Ook zijn er duidelijk
culturele sporen van Urus, Aymara's en Inca's, die in deze
regio woonden, terug te vinden. Omdat deze agrocentrische
gemeenschappen in hun geloof (Cosmovisión) en gebruiken
vooral gefocust waren op het behoud van de vruchtbaarheid van
de aarde en van "het evenwicht tussen de bovennatuurlijke
krachten en machten, was dit feest van vitaal belang in
functie van de continuïteit van het leven." (Lara, 2007:29)
La Diablada is oorspronkelijk gelinkt aan de heilige
voorstellingen van de oude Wari en Supay en aan de
berggeesten, Achachilas genaamd. Die heilige plaatsen worden
in de Andijnse wereld Wak'as (zie artikel La Víbora) genoemd
en beschikken over bovennatuurlijke krachten en macht en
kunnen leven of dood veroorzaken, afhankelijk van hoe ze
door de mens behandeld worden. Men associeert deze heilige
plekken met de ziel en de geest van de overledenen. Wari bv,
werd door de Urus beschouwd als het beginsel van het leven,
de ziel. Supay was de geest van de doden, maar wordt nu
vertaald als duivelin.
De heilige bergen worden nog steeds beschouwd als de verre
voorvaderen van de oorspronkelijke bevolkingsgroepen (Lara,
2007:30). De Adder (víbora), de Pad (sapo) en de Condor zijn
Wak'as en zijn als heilige plaatsen in de Orurese bergen nauw
verbonden met het Karnaval en maken deel uit van de
mythologie van de regio. De dieren worden ook afgebeeld op
de karnavalsmaskers en -kledij (Lara, 2007:31). Ook de wereld
onder de grond, Manqha Pacha (in Aymara), waar de zielen en
geesten van de doden leefden, werd door de Spanjaarden
omgevormd tot onderwereld, waar zich de hel bevindt en waar
de duivels leven.
De mijnwerkers gingen zo de Tio de la Mina
vereren met hun hommage aan de duivels (La Diablada). Tijdens
de periode van Karnaval wordt er nog steeds een witte lama
geslacht aan de ingang van de mijnschacht, het bloed wordt
gedronken en verspreid over de aande en daarna wordt het
vlees geroosterd en opgegeten tijdens het feest. Ook worden
er ch'allas gehouden, dat is het ronddruppelen van bier of
andere alcohol, om de Pachamama goedgezind te stemmen. De
huizen, kantoren, auto's, etc. worden ook ge-ch'alla't in de
periode van Karnaval.
Tijdens het bewind van de Borbones in Spanje (18e eeuw),
werden de regels strikter en de "indios" werd (tijdelijk)
niet meer toegelaten hun rituele en feestelijke manifestaties,
die een clandestien en marginaal karakter werden opgelegd,
in de stad te houden en toen werd de Maagd van de Mijnschacht
(Virgen del Socavón) als extra ingrediënt toegevoegd,
evenals andere symbolen van de overheerser.
Haar zogezegde verschijning aan het einde van de 18e eeuw
(1789) is dan ook niet toevallig, het was een periode van
rebellie vanwege de inheemse bewoners en de criollos tegen
het Spaanse bewind (Lara, 2007:33).
De 5 periodes:
De volgende informatie komt uit het krantenartikel "Vijf
periodes in het Karnaval van Oruro (El Chiru Chiru, Oruro,
julio 2009, p2, Elías Delgado Morales)" en de voorgaande
uit "Carnaval de Oruro: Visiones Oficiales y Alternativas"
van Marcelo Lara Barrientos (2007, Uitgeverij Latinas
Ediciones).
1. Men weet niet exact hoe lang het karnaval reeds gevierd
werd voordat de Maagd verscheen in 1789 in de grot van
"Nina Nina" in de zilverberg "Pie de Gallo". Hiervan bestaat
een geschreven bron, door Padre Emeterio Villarroel (1908).
Mondelinge bronnen gaan echter nog enkele eeuwen terug.
Volgens Thomas Abercrombie zouden de introductie van de
volkse en rituele processies, het evangelizatietheater en
de sacramentale uitingen in de periode van recente
kolonisatie aanleiding hebben kunnen geven aan de vorming van
de Orurese Karnavalsdansen. Een andere hypothese is dat de
rebelse opstoot van Spanjaarden geboren in Amerika en van
inheemsen in februari 1781 in een soort van alliantie van
Amerikanen, tegen het dominante Koloniale regime, de eerste
karnavalsdans door de straten van Oruro betekende (Lara,
2007, 29).
Volgens de geschreven bronnen vonden de bewoners van de
streek hun troost voor de angsten, wensen en frustraties in
de dansen, de muziek en de viering van de uitingen van het
geloof.
Wat de Diablada-dans betreft, wordt er gespeculeerd over
het begin van de 1900 eeuw als vertrekdatum, in 1904 is de
eerste dansgroep van Diablos (duivelsgezelschap) opgericht,
waaraan mijnwerkers en de gilde van de slagers deelnamen.
Dit gezelschap heette "La Gran Tradicional y Autentica
Diablada Oruro", gesticht door Don Pedro Corrales Flores
en enkelen van de slagersgilde.
In de eerste, tweede en derde periode bestonden er 2
verschillende karnavals, tegengestelden in sociale status
en feestelijke expressie (Lara, 2007:34). Op zaterdag
defileerden de volkse karnavalgezelschappen, in die periode
afgeschilderd als de "vulgaire inheemse massas", wiens stoet
de gemeentelijke autoriteiten meermaals hebben proberen
afschaffen, en op zondag vond er een kleine processie plaats
van de elite, dat steevast eindigde in een gratis diner en
galabal. Op zaterdag vonden de diablada, morenada, sicuris
en inca-dansen plaats, de verkleedkleren van de vrouwen van
de processie op zondag waren orientaals geïnspireerd en vaak
verkleed als haremvrouwen, en er was een koningin-karnaval
verkiezing.
Ook het traject van de stoet was verschillend, de elite
mocht door het centrum defileren, terwijl het gepeupel de
meer perifere straten aandeden, die uiteindelijk uitgaven op
het pleintje voor de toenmalige kapel van de Maagd van de
Mijnschacht (Lara, 2007:37).
2. In 1910 werd het fresco van de Maagd geschilderd in het
Heiligdom van de Maagd van de Mijnschacht in Oruro. Sommigen
beweren dat het op miraculeuze wijze ineens verschenen was.
De mijnwerkers vereerden haar op een frenetische manier,
verkleed als de duivel en de opzwepende en aanstekelijke
muziek spelend, die tot op de dag van vandaag voortleeft.
Hieruit is het wisselspel Virgen-Diablo ontstaan, dat een
unieke vorm heeft aangenomen.
3. Na de oprichting van het Gezelschap van de Diablos in
1904, verscheen ook die van Los Incas, bekend omwille van hun
waken. In 1911 verscheen voor het eerst het Gezelschap van
de Tobas, in 1913 het Gezelschap van Los Morenos, opgericht
door de gilde van de cocanis, de cocahandelaars, gevolgd door
La Llamerada (het dansgezelschap van de lama-hoeders) in
1921. In deze periode verschenen ook voor het eerst de
"Pasantes de la fiesta", de orkesten, men begon juwelen en
zilverwerk tentoon te spreiden, als symbolisch tribuut aan
de Heilige Maagd. Enkele gebruiken veranderen, geïnspireerd
door de "volkse verbeelding".
Tot op dit ogenblik hadden er nooit vrouwen noch kinderen
deelgenomen aan de karnavalsstoeten. Groepen die toen
deelnamen, en ondertussen reeds verdwenen zijn, waren Los
Doce Pares de Francia (De Twaalf Paren van Frankrijk) van
Caracollo en Los Kallaguayas uit Machacamarca. Er bestond
toen ook een gezelschap dat Los Mineritos heette en dat op
het ritme van de muziek een mineraalsteen besloeg met hun
houweel.
Maar de elite, die ook de communicatiemedia beheersten,
koesterden de wens dat de "volkse, inheemse vertoningen"
afgeschaft werden en dat het Karnaval van Oruro een louter
"geciviliseerd cultureel spektakel" zou worden.
4. De vierde periode loopt van de jaren '40 tot de jaren
'80. De aanvang van de Karnavalsstoet op de "Zaterdag van
Karnaval" begon ook populair te worden bij de middenklasse
in deze periode, de niet-volkse klassen begonnen te
sympathiseren met de "indianen" (Lara, 2007:44).
Leerkrachten, bankbedienden, militairen, etc. begonnen zich
te verzamelen in Diablada-dansgezelschappen. Eerst begonnen
enkele jongeren van de elite deel te nemen in de Diablada-
dansgroep van de slagers. Ze stuitten op weerstand van hun
vrienden en collega's, maar het volk/de toeschouwers herkende
hen niet doordat ze hun maskers niet afnamen voordat ze
aan de kerk van Socavón aangekomen waren; sommigen namen uit
vrees voor roddels zelfs dan nog hun maskers niet af
(Lara, 2007:58).
De onderzoeker Revollo (Lara, 2007:22) stelt dat in deze
periode de machthebbende sectoren van de samenleving, de
vertegenwoordigers van de officiële orde, zich de
manifestaties van de volkse cultuur begonnen toe te eigenen.
Zij waren economische beter gesteld en konden zich luxueuze
verkleedkleren veroorloven. Het komt zelfs zo ver dat zij
de centrale plaats in het feest van de volkse sectoren
afnemen.
Ook de route veranderde in deze periode, de meer volkse
dansgroepen mochten zich nu ook in het centrum vertonen.
Er waren toen nog niet zoveel toeschouwers toen de stoet
passeerde, het gewone volk ging vooral kijken op het
pleintje voor de kerk van Socavón.
Vanaf het begin van de jaren '60 verloor het Karnaval zijn
mannelijke exclusiviteit, in 1961 deden er voor het eerst
vrouwen mee. In de jaren '70 begonnen zich ook buitenlanders
te mengen in de dansgezelschappen. Er wordt melding gemaakt
van Japanners, Noord-Amerikanen en Belgen (Lara, 2007:44).
In de jaren '70 doken voor het eerst ook Caporales-dansers
op, de Morenadas wonnen aan aanzien en aan deelnemers.
Aan weerskanten van de karnavalsstoet liepen de "dragers"
met een vracht vol goud- en zilverwerk voor de Virgen, en
ook eten en drinken. Sommigen zeggen dat rond de jaren '40
de vrachten zelfs belangrijker waren dan de dansgezelschappen.
Zo waren er in 1942 zelfs 305 dragers, en slechts 9
dansgezelschappen (Lara, 2007:38-39).
De dragers gebruikten ook muilezels, lama's of runderen om
hun vracht te vervoeren tijdens de stoet. Sinds 1937 werden
er gemotoriseerde voertuigen geïntroduceerd, kamions en
auto's die de vracht vervoerden. In het begin werden die
niet echt hartelijk ontvangen (Lara, 2007:41).
Er werd met confetti gesmeten, met waterballonnen,
serpentines en knallertjes.
Twintig jaar later hadden de dansen aan populariteit gewonnen
en werd er amper nog gesproken over de dragers. Ook de
Diablada won aan aanzien.
Begin jaren '60 werd het Comité Departamental de Etnografía
y Folklore opgericht, en in 1963 de Asociación de Conjuntos
del Folklore de Oruro (ACFO), het voormalige Comité de
Defensa de los Conjuntos Folclóricos. Vele intellectuelen
en onderzoekers die behoorden tot de culturele tak van de
Antropologie, zaten hier achter.
In theaters in Oruro werden opvoeringen gehouden in de
periode van Karnaval over de Diablada: verhalen, literaire-
en muziekavonden. Ook werd in deze periode de ontwikkeling
van het Karnaval door de Gemeente gereglementeerd. De
eerste dansgezelschappen begonnen ook te reizen naar andere
plaatsen in binnen- en buitenland, voor speciale
gelegenheden. Deze periode kende ook de opkomst van de
handwerklieden die zich specialiseerden in het ontwerpen en
uitwerken van kunstige maskers, geborduurde kledij, leren
botinnen en andere accessoires. Ook de muziek kende een
verrijking en verfijning in deze periode.
De pers begint ook meer aandacht te krijgen voor het Karnaval
tijdens deze periode, de eerste documentaires worden gedraaid
en de eerste uitzendingen op TV vinden plaats.
Op 6 maart 1965 werd Oruro uitgeroepen tot Folkloristische
Hoofdstad van Bolivia.
5. Tijdens de vijfde periode die onderscheiden kan worden,
die loopt van de jaren '80 tot nu, krijgt het Karnaval zijn
spectaculaire aanblik. Het Karnaval gaat vanaf dan gepaard
met schoonheidswedstrijden voor Boliviaanse vrouwen, het
Karnaval krijgt een sexier tintje, wat oa te zien is aan de
rokjes van de Morenada-danseresjes, die alsmaar korter
worden.
De gemotoriseerde voertuigen (de "dragers" van vroeger)
worden schaarser, er zijn minder Inca-, Negrito- en
Doctorcito-dansgroepen, er beginnen meer volkse groepen deel
te nemen, zoals de Tinkus, Phujllay, Potolos en Wititis.
In de jaren '90 verschijnen er ook voor het eerst
Tarqueadas en Kantus. Eind jaren '90 werd de vrouwelijke
Diablada-figuur gecreëerd, La Diableza (de duivelin).
China Supay was er reeds van in het begin bij, maar
La Diableza lijkt op El Diablo, draagt een kleiner masker,
met dezelfde grote pruik (wit of in fluo kleuren), een kort
rokje en roodwitte botten met hak. Er bestaat nu ook een
Ñaupa-Diablo, een oude duivel, met een masker met vele
rimpels en een kromme neus.
Er worden jaarlijks aanpassingen gedaan aan de kostuums.
De basiskleur verandert jaarlijks, enkele accessoires of
details veranderen, en soms komen er personages bij.
De belangrijkste verwezenlijking in deze periode is de
verklaring van de UNESCO als Meesterwerk van het Mondelinge
en Immateriële Erfgoed van de Mensheid. Onder andere Marcelo
Lara (mijn baas) heeft mee gewerkt aan het dossier dat
ingediend werd bij de UNESCO. In mei 2009 hebben we de 8e
verjaardag van de Verklaring/Erkenning van UNESCO gevierd,
met een mini-karnaval (dat slechts 7 uur duurde).
In de jaren '70 namen er slechts 5.000 dansers en muzikanten
deel, nu zijn het er meer dan 30.000, zelfs van het
buitenland. De stoet duurt meer dan 20 uur, onafgebroken
dansen en musiceren.
Het grote Karnaval, in februari, heb ik niet meegemaakt,
omdat ik toen nog niet in Bolivia was, maar het mini-karnaval
wel, en ik moet zeggen, dat was al spectaculair!
Andere feesten waar de dansgezelschappen van Oruro naartoe
gaan om hun praal en kunsten tentoon te spreiden, zijn de
Fiesta del Señor del Gran Poder (begin mei, La Paz) en de
Fiesta de la Virgen de Urkupiña (half augustus, Cochabamba).
Even ter verduidelijking, Perú kan niet beweren dat het
Diableza-kostuum peruviaans is, want het is slechts 10 jaar
geleden gecreëerd, en wel degelijk hier in Oruro.
Bibliografie:
"Vijf periodes in het Karnaval van Oruro" (El Chiru Chiru,
Oruro, julio 2009, p2, Elías Delgado Morales)
"Carnaval de Oruro: Visiones Oficiales y Alternativas"
(Marcelo Lara Barrientos, Latinas Editores, Oruro, 2007)
http://marcelolarabarrientos.blogspot.com/2009/08/miss-peri-se-presento-con-traje-tipico.html
zondag 30 augustus 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten