Vosseverhalen:
De weddenschap van de vos en de condor
Op een dag vertelde Heer Condor over zijn uitstapjes naar
helsbesneeuwde bergtoppen.
“ Doe ik al eeuwen...,” onderbrak de vos hem, “een koud
kunstje!” De vos zei dit enkel om de aandacht van de condor
op zichzelf te vestigen.
De condor wou de leugenaar eens flink te grazen nemen en zei:
“OK, wedden?”
Na wat hij zonet beweerd had, kon de vos moeilijk weigeren.
Hij knikte ja en strekte zijn rafelige staart om zich een
stoere houding te geven.
Omdat de condor de vos door en door kende, vervolgde hij
dadelijk: “Morgenavond beklimmen we de berg. Hopelijk beklaag
je ´t je niet!”
“Hoezo?!”, reageerde de vos opgewonden, “Ik zei toch al dat
het niets nieuws is... Laten we het volgende afspreken: als
ik het niet overleef, mag jij me opeten. Als jij sterft, mag
ik jou opeten. Wat vind je daarvan?”
De condor vond het een uitstekend plan. Hij glimlachte
vergenoegd om het lesje dat hij de vos zou leren.
´s Anderendaags beklommen ze zoals afgesproken de berg.
Zodra hij de besneeuwde bergtop bereikt had, schudde de condor
flink zijn veren uit. Hij hurkte neer, schoof zijn
rechtervleugel als een donsdeken onder zijn poten en stak
zijn neus onder de warme linkervleugel. De vos kon enkel
zijn dunne staart als een onooglijk sjaaltje omslaan. Zijn
snotterende neus kon hij nergens kwijt en zijn dunne pootjes
begonnen dadelijk te bevriezen. Het wachten begon. De condor
sloeg de vos met een superieur lachje gade.
Rillend van de kou waagde de vos het de condor te vragen:
“Heer condor?” “Ja hoor, oompje”, antwoordde de condor
onmiddellijk.
Een poosje later vroeg de condor op zijn beurt: “En, oompje,
gaat het nog?”
“Ja hoor, uitstekend!” piepte de vos nauwelijks hoorbaar.
De condor stelde dezelfde vraag nogmaals, een hele poos
later. De vos gaf geen kik meer. De condor wrikte hem los
uit het ijs en verscheurde het lijk.
Hoe de vos schapen leerde eten
Vroeger liep de vos door berg en dal, op jacht naar duiven
en patrijzen. De buit die hij ving, stopte hij in zijn rugzak,
als een appeltje voor de dorst.
Op een dag, uitgeput van het vele rondtrekken, ontmoette de
vos twee bijzonder nieuwsgierige herderinnetjes.
“Wat sleur je daar mee in je rugzak?”, vroegen ze hem.
“Alles wat ik wil”, antwoordde hij kortaf.
Meer wou de vos er niet over kwijt. De meisjes wilden hoe
dan ook eens neuzen in zijn rugzak.
Om de vos even uit de buurt te hebben, gaven ze hem de
opdracht om op hun schapen te letten. Hij stond op het punt
om op te stappen, de proviandzak stevig tegen zich aangedrukt.
“Laat die rugzak gerust bij ons. Je wou hem toch niet
meesleuren?”, zei de ene.
“Inderdaad, laat hem maar aan ons over. Wij zullen hem voor
jou bewaren”, vulde de andere aan. Ze griste hem de zak bijna
uit handen. De vos aarzelde. Uiteindelijk liet hij zijn
kostbaar bezit aan hun zorg over. Nauwelijks was hij achter
de schapen aan of de meisjes hadden de knoop al losgemaakt.
O wee, de duiven en patrijzen fladderden weg! Daar stonden
de meisjes dan, met een lege rugzak.
“Hoe moeten we ons nu hieruit redden?” riepen de meisjes
ontzet.
Een ogenblik bleven ze radeloos staan, maar ze vonden een
oplossing. Ze namen een cactus en staken die in de zak.
Trillend van angst wachtten ze de vos op. Toen hij terugkwam
fluisterden de herderinnetjes: “Alsjeblief, hier heb je je
rugzak”, waarna ze zich snel uit de voeten maakten.
De vos stapte blijgezind op. Na een tijdje voelde hij iets
in zijn rug prikken.
“Aauw, aauw!”, zong hij, “Met jullie schurftige snavel!
Aauw, aauw! Met jullie schurftige snavel!”
Uitgeput en hongerig zette hij zich neer en tastte naar een
lekker hapje. Het prikte nog venijniger. De vos keek
nauwkeuriger, er zat een cactus in zijn zak! Snel haalde
hij de herderinnetjes in.
“Waar is mijn picknick naartoe? Wie heeft mijn lunch laten
ontsnappen?” riep hij boos. De twee herderinnetjes konden
enkel schuldig zwijgen.
“Goed”, dreigde de vos, “dan kies ik me voor vanavond een
van jullie schapen uit!”
Hij overviel er eentje in ´t geniep en peuzelde het helemaal
op.
Zo heeft de vos schapen leren eten.
De vos op vrijersvoeten
Pronkend met de kleren van een jongeman, ontmoette de vos een
heel droevig herderinnetje. “Liefje, waarom heb je verdriet?”
vroeg hij.
“Snif, snif, omdat mijn ouders me aan een oude, vieze man
willen uithuwelijken. Daarom”, snikte het meisje. “Toe, hou
nu op met huilen. Het is heel treurig, inderdaad, maar voor
alles bestaat er een oplossing”, troostte de vos haar.
Ontroerd hield het meisje op met huilen. Na een tijdje kwam
de vos met een voorstel: “Ik zal met je trouwen, en je zult
zien, je ouders zullen toestemmen. Kijk”, ging de vos verder,
“tot op de dag van je huwelijk blijf je heel lief voor je
verloofde. En op de dag zelf zorg ik wel voor de verrassing.”
Opgelucht stemde het meisje in.
Enkele dagen voor het huwelijk zocht de vos zijn trawanten op.
Hij sprak ze toe: “Vossebroeders, mijn toekomst en mijn
geluk hangen helemaal van jullie af. Jullie moeten de
verloofde van mijn meisje te pakken krijgen, hem bij handen
en voeten vastbinden en hem gevangen houden tot de bruiloft
is afgelopen. Akkoord?”
De vossen vonden het opperbest.
Op de dag van het huwelijk verscheen de vos, vrolijk gestemd,
in de kleren van de oude man. Met honderden gestolen schapen
meldde hij zich aan bij de ouders van het meisje. Die
ontvingen hem met open armen. Daarbij beweerde de vos nog dat
het maar de helft van de bruidsschat betrof...
Het huwelijk ging probleemloos door. Het hele gezelschap
danste en zong tot laat in de nacht.
De vos nam zijn vrouw bij de arm en trok haar mee het huis
binnen. Plots dook een oude man tussen de feestvierders op,
spiernaakt en overdekt met vieze wonden. “Bekijk me maar
goed”, riep hij, “Dit is het werk van honden. Waar is die
smerige hond die mij dit heeft aangedaan?” De ouders herkenden
de oude vrijer. De arme man was zo verschrikkelijk
toegetakeld dat de feestvierders spontaan in felle woede
ontstaken. Ze grepen een aantal stokken en palen en stormden
het huis van het pasgehuwde koppel binnen. Ze vonden de vos
in bed en rukten hem uit de armen van het meisje. “Niet doen,
niet doen!”, tierde de vos. “Ik ben een man! Kijk, ik was
het hier net aan het bewijzen!”.
Maar het mocht niet baten. De vos werd halfdood geslagen,
zodat hij het nooit meer in zijn hoofd zou halen de gedaante
van een mens aan te nemen.
De drie Andesmuzikanten
Op een zekere avond ontmoetten de vos, de adelaar en de
kever elkaar voor de huisdeur van de vos.
“In dat huis daar aan de overkant”, vertelde de vos, “wonen
welgestelde herderinnen met een flinke voorraad schapen. En
wij hier maar nodeloos honger en armoede lijden”.
De anderen keken hem onbegrijpend aan.
De vos ging verder, betekenisvol van de ene naar de andere
kijkend: “Zowel de grote als de kleine schapen zitten goed
in het vlees.”
“Vos”, vroeg de adelaar, “wat bedoel je daar nu mee? Wees
voor een keer duidelijk.”
“Wel”, antwoordde de vos, “in het huis aan de overkant wonen
drie herderinnen die veel schapen bezitten. Op een avond ben
ik op onderzoek uitgetrokken. Ik heb het met eigen ogen
kunnen vaststellen: de meisjes zien er weldoorvoed uit en
hun schapen zijn lekker dik.” Dat zei de vos om de buit
aantrekkelijker te maken.
“Tjah”, zuchtte de kever, “ik begrijp het wel, maar hoe
geraken we daar binnen? Ik hoef mijn vleugels maar te
spreiden of ze hebben het al in de gaten.”
“Dat heb ik allemaal al uitgekiend!, juichte de vos.
Hij liep snel het huis binnen en kwam terug met een grote
zak.
“Pak maar!”, riep hij, wijzend op de zak, “Hier is jullie
vermomming!”
De vos haalde een charango-gitaar met hondesnaren te
voorschijn, waarop hij medogenloos begon te tokkelen.
De adelaar blies verwoed op een fluit. De kever zette een
enorme hoed op het hoofd en begeleidde de zang met handgeklap.
Na een korte repetitie begaf het kersverse trio zich naar
het huis aan de overkant. Door de duisternis konden de
herderinnen de muzikanten nauwelijks herkennen. Ze ontvingen
de muzikanten hartelijk en schotelden hen een rijke tafel
vlees en bier voor.
“Hahaha!! Wat grappig!! En bedien je maar!” lachten de
meisjes, zich op de dijen kletsend om het gekke postuur van
de kever. Hij leek net een duivel, met zijn grote hoed heel
diep over het hoofd getrokken.
Het gezelschap dronk, zong en danste tot laat in de nacht.
Toen de meisjes duidelijk dronken waren, knipoogde de vos
naar zijn makkers. Onder het voorwendsel dat het al laat was,
nam het trio afscheid. Terwijl de herderinnen als dood hun
roes uitsliepen, pikten de vos en zijn trawanten enkele
schapen mee.
Op die manier bestalen ze de meisjes verscheidene keren.
Het werd een vaste gewoonte. Op een dag merkten de meisjes
dat hun schapen zomaar verdwenen.
“Sinds die zangers ons bezoeken, gaan onze schapen verloren,”
zei de oudste zus.
“Waarom zouden ze ons altijd op het hart drukken om de
honden op te sluiten?”, dacht de andere luidop.
“Inderdaad, zij moeten het zijn,” viel de derde bij. De drie
zusjes verzonnen een list om de dieven te ontmaskeren.
Diezelfde nacht zetten ze nogmaals het feest in alsof er
niets aan de hand was. De herderinnen dronken zo weinig
mogelijk. Desnoods goten ze hun drankje weer in de kannen.
Eentje goot het bier zelfs af en toe in haar bloes. Wel
deden ze zich tegen het einde van de avond stomdronken voor.
Naar gewoonte namen de muzikanten afscheid met het smoesje
dat het al laat was geworden.
Nauwelijks hadden ze een poot in het schapenhok gezet, of
de meisjes lieten de honden op hen los. Het muzikale trio
zag geen andere uitweg dan zich in het feestvuur te storten.
De vos ontkwam op het nippertje, met een brandende staart
achter zich aan. De adelaar kon door een verschroeide vleugel
nauwelijks opvliegen. De kever schoot er niet alleen zijn
beide vleugels maar haast ook zijn leven bij in.
zaterdag 29 augustus 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten