woensdag 26 augustus 2009

Cuentos Andinos 2

Verhalen en legenden van Karankas:

De legende van de Chipaya's

Introductie: Dit is een mondelinge geschiedenis van een volk,
de Chullpa's maar ook wel de Chipaya's genaamd. Vandaag de dag
noemt men ze de Uru-Chipaya's. De Uru's behoren tot een van
de oudste bevolkingsgroepen uit de regio. Op het Titikakameer
leefden er ook Uru's op eilanden van riet. Nu hebben de
Ayamara's daar hun plaats ingenomen.
Het verhaal is een mengeling van mondelinge geschiedenis en
legende, dus we kunnen niet altijd de waarachtigheid
achterhalen.

Deel 1:
In de regio Karankas woonden de Chullpa's. Zij waren niet met
veel maar van hen werd gezegd dat ze sedentair leefden, niet
gedomineerd werden en vrij om te gaan en staan waar ze wilden
in de Andijnse hoogvlakte.
In deze verre tijd werd de aarde - volgens deze legende -
voor een lange tijd overstroomd door een zondvloed die elk
levend wezen in zijn wateren verdronk.

Een zeker aantal Chullpa's had zich weten te redden van de
zondvloed in een rieten boot. Al varend waren ze er in geslaagd
om de berg Wila Pukara (Coipasa) te bereiken, waar ze -
volgens de Chipaya's - een ronde, stenen hut met rieten dak
bouwden op de plaats genaamd "Uluwararakuarani", nu bekend als
de bron "Pozo del Inka" (de waterput van de Inka).

Een tijd na de zondvloed stond de regio nog steeds onder water.
De Chullpa's hadden geleerd om al vissend en al jagend met
hun liwi (slinger) te overleven. Ze joegen op flamingo's,
eenden en andere wilde vogels en vissen. Hun prehistorische
sporen zijn vandaag de dag nog aanwezig: Chipay Qaqa (de grot
van de Chipaya), Liwis Quta (naam van een gemeenschap in de
regio Llica), Chipay Thaki (weg van de Chipaya), Chipay Luma
(de helling van de Chipaya), Chipay Samaña (rustplaats van de
Chipaya) en andere.

Deel 2:
Een hele tijd - misschien eeuwen - na de zondvloed, woonden
de Chullpa's verspreid over de hele regio Karankas, omgevormd
tot beginnende landbouwers, maar ze leefden vooral van de
visvangst en de jacht. De Chipaya's van nu veronderstellen
dat hun voorouders onder een half duistere zon leefden en
woonden in grotten en enkele kleine ronde hutten met rieten
dak met de deuren gericht naar het Oosten.

Op een dag kondigden de toekomstvoorspellers (yatiris) van de
provincie aan dat de woede van de zon dichterbij kwam.
De Zonnegod (in de taal van de Chipaya Thunni Yossa), zou
langs het Westen komen en hen allen verbranden.

De fatale voorspelling zorgde ervoor dat de Chullpa's hun
eenkamerwoonsten bouwden met dikke muren en met de deuren
georiënteerd naar het Oosten als voorziening om zo aan de
intense warmte van de zon te ontsnappen.

Men zegt dat het een tragisch moment was voor hen toen de
zon aan de horizon verscheen, uitgerekend in het Oosten.
De verschrikkelijk verbrandde Chullpa's stierven in hun
eigen woningen.

Een koppel Chullpa's had zich hoe dan ook weten te redden
van dit zonneoordeel. De man en vrouw hadden zich
ondergedompeld in het water van het meer Alljata (nu Q'ara
Quta of woestijnlagune) en overleefden op een stoicijnse
manier, zich voedend met waterplanten en -dieren.

De door de zon verschrikte Chullpa's waren gewend geraakt
aan deze vreemde vorm van leven in het water. Overdag leefden
ze ondergedoken in het meer Alljata en in de rivier Lauka.
's Nachts kwamen ze boven op zoek naar eten.
Een tijd later, toen ze al een stam gevormd hadden, maakten
ze hun rijk van de monding van de rivier Lauka, heel dicht
bij het meer Koipasa.

Ten tijde van deze nederzetting, zegt men, behielden ze nog
de gewoonte van hun nachtelijk leven.

In deze verre tijden was aan de voet van de Pumiri (vandaag
de berg Sabaya) een groep Aymara's aangekomen, die door de
Chullpa's Thossa Zoññi genoemd werden (in Chipaya vreemd volk).
De Aymara-immigranten settleden zich al gauw en bouwden
woonsten en zelfs een dorp of sik'a marka.

Toen de Chullpa-Chipaya's de nederzetting van de vreemde
Aymara's zagen, werden ze heel kwaad, misschien omdat deze
zich op hun territoriale domeinen bevonden.

Op een zekere keer, toen de Aymara's hun kerktoren aan het
bouwen waren, merkten ze dat hun werkzaamheden verstoord
waren en hun toren vernietigd. De volgende ochtend
identificeerden de Aymara’s de Chullpa's als zielloze en
gewetenloze daders van de vernietiging van hun werken.
Ze verzekerden zich ervan dat de incidenten zich weer zouden
voordoen die nacht en ze smeedden plannen om hen gevangen
te nemen.

Die nacht zagen de Aymara's de hele stam Chullpa's als een
lawine op zich afkomen. Ze bleven versteend van verbazing
achter. Ze zeggen dat beide groepen elkaar in een korte strijd
te lijf gingen, want de Chullpa’s trokken zich plots overhaast
en in een opwelling terug richting het Coipasameer. De
Aymara's hadden echter een van de voortvluchtigen kunnen
vangen.

Men zegt dat ze de Chullpa-gevangene, vastgebonden aan
handen en voeten, meenamen naar de pastoor, die hem zegende
met weiwater en zout en hem Chinuta (de vastgebondene) doopte,
waarvan -naar men zegt – de achternaam Chino (chinees) zou
afgeleid zijn.

Met de tijd werden achtereenvolgens alle Chullpa's gevangen.
Ze zeggen dat ze sindsdien allemaal gedoopt werden, volgens
de omstandigheden waarin ze gevangen genomen werden. Van
Luppi (dag, zonlicht) is de achternaam López afkomstig, van
Lazzu (trefzekere stoot met de slinger) zou de familienaam
Lázaro komen, en nog andere.

De Chullpa's werden na een tijd door de Aymara's omgedoopt
in Chipaya's omdat ze de gewoonte hadden om de ch'ipha, de
phala (bundel) van riet te gebruiken. Daarvan is de naam
Chipaya waarschijnlijk afkomstig.

Sinds ze gezegend waren door de pastoor verloren ze
langzaamaan hun vreemde manier van leven, maar ze verloren
niet hun gewoonten van het waterleven. Ze keerden altijd
terug naar de onherbergzame regio, om een gemeenschap te
vormen die vandaag de dag bloeit als het enige, autochtone,
duizenden jaren oude volk van de Urus-Chipaya-cultuur.



De legende van Sajama

Volgens de Andijnse mythologie van de Aymara-regio Karankas
waren de goden in voorouderlijke tijden mensen van nobele
afkomst die in een wereld van voortdurende kosmische
wederkerigheid leefden.
De nobele families werden gekenmerkt door hun rijkdom en
hun macht. Ze hadden dubbele gevoelens, zoals nederigheid en
weldadigheid voor de armen en zwakken, ze gedroegen zich
slecht en onbuigzaam tegenover zij die hen durfden uitdagen
in hun macht.

Onder hen bevond zich iemand die "De Schitterende" heette,
dat was Illimani die in de volle glorie van zijn jeugd als
een van de machtigste Caciques, de naburige provincies onder
zijn absolute bewind hield.
De majesteitelijke Cacique was het lievelingskind van
Pachakamak. De jaloersheid van Khunu had een sneeuwbui
ontketend die de weidse hoogvlakte overdekte met grote
oppervlakten van lood en water.

Pachakamak, God van het Universum en beschermer van de
verlatenen, had besloten om de roekeloze Khunu te straffen
voor zijn verachtelijke daad. Middenin de orkaanwinden gaf
hij de rebelse Khunu een slag om het hoofd, en overheerst
door woede, liet hij tussen de krachtige bliksems door zijn
bulderende stem horen en schreeuwde: "Sarjam, Sarjam,... !"
(Ga, ga weg).

Het enorme hoofd van Khunu vloog al tuimelend door de lucht
en kwam neer te liggen bij de glooiingen van Karankas.
Zijn onthoofde lichaam bleef voor eeuwig verstijfd en tot
op de dag van vandaag staan en is gekend onder de naam
Mururata of onthoofde.

Het bloed dat door Mururata verspild was, cristalliseerde
zich met de tijd in rijke koperaders die in de hele
hoogvlakte verspreid te vinden zijn. Het hoofd van de hoogste
Aymara-berg werd aangeduid met de term "Sarjam", waarvan de
naam tegenwoordig gevulgariseerd is naar Sajama.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten